AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit gedeeltelijke weigering Wob-verzoek inzake EU-Turkije-deal
De Stichting Fred Foundation verzocht op 24 november 2020 om openbaarmaking van documenten over de betrokkenheid van Nederland bij de EU-Turkije-deal, met name in relatie tot Griekenland. De minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek deels af en voegde inventarislijsten toe met documenten die geheel of gedeeltelijk werden geweigerd op grond van uitzonderingsgronden uit de Wet open overheid (Woo).
De rechtbank oordeelde dat de minister meerdere motiveringsgebreken beging, onder meer door onvoldoende onderbouwing van de weigering van openbaarmaking van bepaalde documenten en het niet verstrekken van een overzicht van documenten die buiten het verzoek waren gehouden. Tevens was de zoekslag naar documenten onvolledig omdat niet bij derden was geïnformeerd over ontbrekende bijlagen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering en volledige zoekslagen bij Wob-verzoeken onder de Woo.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd met opdracht tot hernieuwde besluitvorming binnen zes weken.
Voetnoten
1.Een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.
2.Op 18 maart 2016 zijn tussen Turkije en de lidstaten van de Europese Unie afspraken gemaakt over migranten die via Turkije Griekenland binnenkomen. Deze gemaakte afspraken worden ook wel de EU-Turkije-deal genoemd.
3.Wet open overheid.
4.Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF2162. De Afdeling oordeelt dat het verstrekken van de informatie in een andere dan door verzoeker gewenste vorm aanvaardbaar kan zijn, mits dezelfde informatie wordt verstrekt als het geval zou zijn bij verstrekking in de door verzoeker gewenste vorm. 8.De uitzonderingsgrond uit artikel 5.1., tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
9.De uitzonderingsgrond uit artikel 5.1., tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo.
10.Kamerstukken II, 2015/16, 33 328, nr. 22. Amendement van de leden Segers en Veldman ontvangen op 12 april 2016.
12.Kamerstukken II 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz. 34.
13.Dit volgt uit artikel 5.1., derde lid, van de Woo.
14.Dit volgt uit artikel 5.3. van de Woo.
15.Kamerstukken I 2021/22, 33 328, nr. AB, p. 96.
16.Het besluit van 15 december 2020. Dit besluit en de (gedeeltelijk) openbaar gemaakte documenten zijn vindbaar op de website van verweerder.