De rechtbank Amsterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die was veroordeeld voor verduistering uit hoofde van zijn beroep. De officier van justitie vorderde aanvankelijk €147.428,69, later verlaagd naar €85.868,69, met een korting wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De verdediging stelde dat bepaalde bedragen niet als wederrechtelijk verkregen voordeel moesten worden beschouwd, waaronder €14.298,- die niet kon worden vastgesteld als verduisterd en €45.000,- betaald aan de Belastingdienst namens een klant. De rechtbank volgde deze argumenten deels en bracht deze bedragen in mindering.
Daarnaast werd rekening gehouden met een civiele schikking van €55.000,- en terugbetalingen van €3.902,- door de partner van veroordeelde, die eveneens in mindering werden gebracht. Na toepassing van een korting van 10% wegens een overschrijding van de redelijke termijn met 7 maanden, stelde de rechtbank het definitieve bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €28.413,62.
De rechtbank baseerde haar oordeel op de stukken in het dossier, verklaringen en eerdere vonnissen, en legde de betalingsverplichting op aan veroordeelde. Tevens werd bepaald dat de maxima van gijzeling kunnen worden toegepast.