De gemeente Amsterdam legde Stichting Amsta vijf aanslagen afvalstoffenheffing op voor de jaren 2021 en 2022, betrekking hebbend op locaties waar Amsta intramurale zorg verleent. Amsta maakte bezwaar omdat zij meende dat het afval bedrijfsafval betrof en niet afkomstig was uit particuliere huishoudens, waardoor de heffing niet verschuldigd zou zijn.
De rechtbank stelde vast dat de kern van het geschil lag in de vraag of de bewoners van de zorglocaties een particuliere huishouding voeren. De rechtbank volgde de criteria uit eerdere jurisprudentie, waaronder het arrest van het gerechtshof Den Haag en de Hoge Raad, en concludeerde dat de bewoners wel degelijk een particuliere huishouding voeren. Dit blijkt uit het feit dat zij woonruimte voor woondoeleinden gebruiken, in hun dagelijkse behoeften voorzien en de kosten daarvan dragen, ondanks de zorgindicatie en de bedrijfsmatige aard van de zorgverlening.
De rechtbank benadrukte dat het niet relevant is dat maaltijden en andere huishoudelijke activiteiten door derden worden verzorgd. Ook wees de rechtbank op het verschil met situaties waarin woonruimtes deel uitmaken van hotels of recreatiebedrijven, waar het bedrijf als gebruiker wordt aangemerkt. Hier zijn de bewoners zelf de gebruikers en voeren zij een particuliere huishouding.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bevestigde dat de aanslagen terecht zijn opgelegd. Stichting Amsta krijgt geen teruggaaf van het griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 17 januari 2024.