In deze strafrechtelijke procedure betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen, heeft de rechtbank Amsterdam op 13 februari 2024 een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen en de prejudiciële vragen I en II, die waren gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in te trekken. Dit besluit volgt op een wetsvoorstel tot herimplementatie van het Europees strafrecht dat de problemen waarover de vragen gingen, deels oplost.
De rechtbank overwoog dat vraag III gehandhaafd blijft omdat het wetsvoorstel niet alle juridische onzekerheden wegneemt. Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw van de opgeëiste persoon namen standpunten in over de relevantie van de vragen. De rechtbank achtte het wetsvoorstel voldoende om de vragen I en II in te trekken en het onderzoek te heropenen, maar schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van het antwoord op vraag III.
Daarnaast beveelt de rechtbank de oproeping van de opgeëiste persoon met een Poolse tolk tegen een nader te bepalen datum. De procedure betreft een complexe afweging van nationale wetgeving, EU-recht en het kaderbesluit over het Europees aanhoudingsbevel, waarbij de rechtbank rekening houdt met de recente wetswijzigingen en de lopende prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie.