Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the Regional Court in Jelenia Góra 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Prejudiciële verwijzing
PbEG2002, L 190/1, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ,
PbEU2009, L 81/24 en zoals gerectificeerd (
PbEU2020, L118/39).
PbEU2008, L 327/27, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ,
PbEU2009, L 81/24.
Stb. 2004, 195, zoals nadien gewijzigd, strekt tot uitvoering van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.
Stb. 2012, 333, zoals nadien gewijzigd, strekt tot uitvoering van onder meer Kaderbesluit 2008/909/JBZ.
Onze Minister:Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
Sąd Okręgowy w Jeleniej Górze Wydział III Karny) (Polen) heeft twee EAB’s tegen de opgeëiste persoon uitgevaardigd. EAB I is uitgevaardigd op 9 november 2020 en EAB II op 9 mei 2023. Beide EAB’s strekken tot strafvervolging. De rechtbank moet als uitvoerende rechterlijke autoriteit beslissen over de tenuitvoerlegging van de beide EAB’s. Tegen haar beslissingen staat geen
Fheeft het Hof van Justitie overwogen dat de lidstaten de termijnen van artikel 17 van Pro Kaderbesluit 2002/584/JBZ voor het vaststellen van een definitieve beslissing in acht moeten nemen “tenzij het bevoegde gerecht besluit om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof”. [8] In een dergelijk geval is sprake van “uitzonderlijke omstandigheden” in de zin van artikel 17, zevende lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ die meebrengen dat de overleveringsprocedure langer dan 90 dagen kan duren. [9]
subsidiairkarakter, in die zin dat het verzoek om deze vragen te beantwoorden afhankelijk is van een bevestigend antwoord op de formele prejudiciële vraag.
facultatieveweigering inhoudt. Zij kan dus afzien van weigering van de overlevering op de grond dat het feit naar Nederlands niet strafbaar is en zij ziet daartoe in deze zaak ook aanleiding. De feiten zouden immers in Polen zijn begaan door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen.
strafbaar is gesteld als een misdrijf. Nu dit feit naar Nederlands recht in het geheel geen strafbaar feit oplevert, kan Nederland daarover
a fortiorigeen rechtsmacht uitoefenen.
dwingendeweigering aan erkenning in de weg staan, waaronder de dwingende grond tot weigering dat “het feit waarvoor de vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn” (artikel 2:11, derde lid, aanhef en onder b, jo. artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, WETS). De omstandigheid dat het feit waarvoor de vrijheidssanctie is opgelegd naar Nederlands recht niet strafbaar is, leidt dus naar de letter van de wet zonder meer tot weigering van de erkenning van de in de uitvaardigende lidstaat voor dat feit opgelegde vrijheidssanctie, met als gevolg dat de betrokkene – ondanks de garantie van terugzending – zijn vrijheidssanctie niet in Nederland zal ondergaan.
facultatievegrond tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in, zoals volgt uit de bewoordingen daarvan (“De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat
kande erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie weigeren (...)”). [18] Kaderbesluit 2008/909/JBZ berust bovendien op het beginsel van wederzijdse erkenning. Overeenkomstig dit beginsel is erkenning en tenuitvoerlegging van de in de beslissingsstaat opgelegde vrijheidssanctie de hoofdregel en moet weigering van erkenning en uitvoerlegging de uitzondering zijn. Die uitzondering moet strikt worden uitgelegd. [19] Daarbij komt dat een strikte uitleg, die het aantal gevallen van weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging beperkt, bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstelling van bevordering van de sociale re-integratie van de betrokkene. [20] Daarom zou een lidstaat bij de omzetting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ zijn bevoegde autoriteiten een zekere beoordelingsmarge moeten geven om deze weigeringsgrond al dan niet toe te passen. Anders gezegd, een lidstaat zou deze weigeringsgrond niet (volledig) mogen omzetten als een grond tot dwingende weigering. [21]
wordt teruggezondennaar de uitvoerende lidstaat om daar de [vrijheidssanctie] te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat”. [23] Deze bepalingen hebben dus “voorrang” op die van Kaderbesluit 2008/909/JBZ. In de tweede plaats wijst de rechtbank erop dat het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft overwogen dat artikel 5, punt 3, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ één van de bepalingen van dat Kaderbesluit is die de uitvoerende rechterlijke autoriteit “de mogelijkheid [biedt] om in specifieke gevallen te beslissen dat een in de beslissingsstaat opgelegde straf ten uitvoer
moetworden gelegd op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat”. [24] Tegen deze achtergrond stelt de rechtbank zich op het standpunt dat, wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit de overlevering onder een garantie van terugzending heeft toegestaan, na te hebben afgezien van de facultatieve weigeringsgrond inzake het ontbreken van strafbaarheid naar het recht van haar lidstaat, en – gelet op de garantie van terugzending – met het oog op verhoging van de kansen van sociale re- integratie heeft geoordeeld dat de betrokkene zijn eventuele vrijheidssanctie in de uitvoerende lidstaat moet ondergaan, het Unierecht zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van diezelfde lidstaat (als tenuitvoerleggingsstaat) alsnog moeten of mogen oordelen dat het ontbreken van strafbaarheid van hetzelfde feit in de weg staat aan erkenning en tenuitvoerlegging van die sanctie.