Eiser woonde op een adres in Amsterdam en had een parkeervergunning die per 1 november 2022 werd ingetrokken door het college van burgemeester en wethouders vanwege het instellen van een nulplafond in het deelvergunninggebied waar zijn adres naartoe was verplaatst.
De rechtbank oordeelt dat het college niet zorgvuldig heeft gehandeld bij het instellen van het nulplafond. Er is geen aantoonbare belangenafweging gemaakt waarbij de negatieve gevolgen voor bestaande vergunninghouders, zoals eiser, zijn betrokken en gemotiveerd. Tevens heeft het college ten onrechte de intrekking gebaseerd op de stelling dat eiser zou kunnen beschikken over een stallingsplaats, terwijl dit niet aannemelijk is gemaakt.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de vraag van de stallingsplaats adequaat wordt onderzocht en eiser wordt gehoord. Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.