AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestaan overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting betekening
De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 april 2024 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon die een vrijheidsstraf van anderhalf jaar moet uitzitten. De opgeëiste persoon betwistte dat hij persoonlijk was gedagvaard, maar de rechtbank stelde vast dat het EAB vermeldt dat de dagvaarding correct was betekend en dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procesdatum en gevolgen van afwezigheid.
De rechtbank oordeelde dat de enkele ontkenning van de opgeëiste persoon onvoldoende was om de juistheid van het EAB in twijfel te trekken, mede gelet op het vertrouwensbeginsel. Er was geen sprake van een weigeringsgrond op grond van artikel 12 vanPro de Overleveringswet. Tevens werd vastgesteld dat de feiten waarvoor overlevering werd verzocht, te weten diefstal en poging daartoe met gebruik van valse sleutels, voldoen aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.
Hoewel er structurele zorgen zijn over het Poolse rechtssysteem en het recht op een eerlijk proces, bracht de opgeëiste persoon geen concrete aanwijzingen dat deze gebreken zijn zaak individueel hebben beïnvloed. De rechtbank concludeerde daarom dat geen individueel reëel gevaar bestond voor schending van het recht op een eerlijk proces.
Gelet op deze overwegingen en het voldoen aan de wettelijke eisen, stond de rechtbank de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-057258-24
Datum uitspraak: 23 april 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 21 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 januari 2023 door the Regional Court in Poznań,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 april 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.J. Veen, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Pilavan 2 februari 2022 ,met referentie II K 921/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
Door de opgeëiste persoon is betwist dat de dagvaarding hem in persoon is betekend, zoals in onderdeel d) van het EAB staat vermeld. Hoewel door de raadsman geen beroep is gedaan op de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro, betreurt de raadsman het dat hierover – ondanks zijn verzoeken daartoe – geen aanvullende vragen zijn gesteld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon op 5 januari 2022 in persoon is gedagvaard en daarbij is geïnformeerd over de datum en plaats van het proces dat tot het vonnis heeft geleid, en daarbij is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen in het EAB is vermeld.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van hetgeen in onderdeel d) van het EAB is vermeld stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 5 januari 2022 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Bovendien zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12 onderPro a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro is derhalve niet van toepassing.
4.Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal;
poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
5.Artikel 11 OLWPro: artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the Regional Court in Poznań,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. A.W.T. Klappe en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (