Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Onderzoek ter terechtzitting
2.Inleiding en beschuldiging
bijlagebij dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
3.Voorvragen
4.Beoordeling of verdachte het tenlastegelegde heeft begaan
“with they know it is false”. En in een e-mail 5 december 2018 aan afnemer [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) wijst [verdachte] er voorts op dat de registraties mogelijk ‘falsch’ zijn. [verdachte] had van haar afnemers een duurzame registratie in een andere EU-lidstaat nodig om de resterende belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) van een verkochte auto terug te kunnen vragen. De opmerkingen richting afnemers [bedrijf 3] en [bedrijf 4] , dat het registratiebewijs ‘false’ is of de registraties mogelijk ‘falsch’ zijn, waren er kennelijk op gericht om de vereiste registratie te verkrijgen van de afnemer. De rechtbank is – met de verdediging – van oordeel dat bovenstaande emails van [verdachte] niet zien op een valse registratie in het kader van btw-fraude. [verdachte] communiceerde voorts met contactpersoon [naam 4] over het feit dat auto’s werden gefactureerd aan afnemers in EU-lidstaten, voordat deze naar Servië – een niet-EU-lidstaat – werden uitgevoerd. Deze constructie werd op deze wijze uitgevoerd, omdat rechtstreekse leveringen aan niet-EU-lidstaten in de weg stonden aan teruggave van bpm. Bij vonnis van rechtbank Gelderland van 18 april 2023 is een dergelijke constructie, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij artikel 14a van de Wet bpm, aanvaardbaar geacht. [12]
“Meteen factureren voordat de Belastingdienst zich bedenkt?”,gevolgd door een knipoog-emoji. Daarop antwoordde [medeverdachte 2] : “
Jazeker”,gevolgd door een ‘duimpje omhoog’. [naam 5] stuurde deze foto nadat zij in het VIES-systeem had gezien dat het btw-nummer van [bedrijf 5] weer actief was. De rechtbank is het met de verdediging eens dat dit WhatsApp-gesprek voor verschillende uitleg vatbaar is en niet per se wijst op betrokkenheid bij fraude. Dat dit WhatsApp-gesprek heeft plaatsgevonden nadat het btw-nummer na een tijdelijke intrekking weer actief was, maakt dit oordeel niet anders. Weliswaar moet een belastingplichtige behoedzaam zijn wanneer een btw-nummer wordt ingetrokken, maar nu in dit geval het btw-nummer weer actief was geworden mocht [verdachte] erop vertrouwen dat factureren weer mogelijk was en dat zij daarmee niet strafbaar zou handelen.
‘know-your-customer’procedure (hierna: KYC-procedure) werd gevolgd. Bij onduidelijkheden of aanwijzingen die zouden kunnen duiden op betrokkenheid van een nieuwe handelspartner bij fraude, stelden verkoopmedewerkers van [verdachte] – naar eigen zeggen – nadere vragen aan de contactpersoon die namens de betreffende handelspartner optrad. Omdat de uitkomsten daarvan niet in de administratie werden vastgelegd, kan de rechtbank noch vaststellen noch uitsluiten dat dergelijke KYC-procedures werden gevolgd. Gelet op de bestendige handelsrelaties met contactpersonen acht de rechtbank aannemelijk dat dergelijke gesprekken niet administratief werden vastgelegd.
“ [bedrijf 7] or in fantasy its same for me what you want”.Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat hieruit niet kan worden afgeleid dat [verdachte] bepaalde op welk bedrijf gefactureerd moest worden en/of dat [naam 4] de feitelijk koper was. De omstandigheid dat [naam 4] een paar dagen later naar zijn vader verwijst voor het maken van afspraken over facturatie, maakt dit oordeel niet anders. Immers beschikt vader [naam 4] over algehele volmachten om namens de bedrijven [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ) en [bedrijf 8] auto’s aan te kopen. De constructie dat afnemers in de EU door vader en zoon [naam 4] werden gebruikt voor bpm-doeleinden is bovendien – zoals overwogen in paragraaf 4.1.2. – legitiem. De rechtbank neemt in haar overweging ook een WhatsApp-conversatie op 4 september 2018 naar aanleiding van een kwijtgeraakte factuur van [bedrijf 7] mee. Dit was voor [verdachte] aanleiding om de handelsrelatie met [bedrijf 7] te beëindigen. Nadien zijn met betrekking tot de handelsrelatie met [naam 4] ook extra voorzorgsmaatregelen getroffen door voortaan bankbetalingen te eisen. Dit sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat niet [verdachte] en/of [naam 4] , maar de afnemers op de facturen bepaalden op welke bedrijven werd gefactureerd.
5.Beslag
6.Beslissing
officier van justitie niet-ontvankelijkin de strafvervolging van verdachte ten aanzien van
[bedrijf 2].
feiten 1 en 2niet bewezen en
spreekt verdachtedaarvan
vrij.
teruggave aan verdachtevan:
bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan: