ECLI:NL:RBAMS:2025:10144

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
13-231783-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering van een Poolse verdachte met meerdere onderliggende vonnissen

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 17 december 2025 uitspraak gedaan over de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte, geboren in 1998 en momenteel gedetineerd in Nederland, is aangeklaagd voor verschillende strafbare feiten in Polen, waaronder diefstal en opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank heeft de overlevering voor de meeste vonnissen toegestaan, maar geweigerd voor één specifiek vonnis (II K 548/19) vanwege gebreken in de procedure die de verdedigingsrechten van de verdachte in gevaar hebben gebracht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte niet in persoon aanwezig was bij de processen die tot de onderliggende vonnissen hebben geleid, maar dat hij wel op de hoogte was van de procedures en een advocaat had gemachtigd. De rechtbank heeft de relevante artikelen van de Overleveringswet (OLW) toegepast en geconcludeerd dat de overlevering voor de meeste vonnissen niet in strijd is met de Nederlandse wetgeving.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-231783-25
Datum uitspraak: 17 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 29 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juni 2025 door
the Regional Court in Przemyśl (Sąd Okręgowy w Przemyslu),Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier in Nederland,
nu gedetineerd in [detentie adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 19 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 19 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 3 december 2025 om het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen meer aanvullende informatie ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 OLW ten aanzien van de vonnissen met kenmerk II K 1397/18, II K 568/19, II K 60/19 en II Ka 171/20 te verkrijgen. De rechtbank heeft vragen geformuleerd die in het proces-verbaal van die zitting staan opgenomen.
Zitting van 3 december 2025
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 3 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
aggregate sentence of the Regional Court in Przemyśl dated 22 April 2022, file reference number: II K 2/22, final and enforceable as on 2 June 2022(hierna: verzamelvonnis)
.
Ten aanzien van dit verzamelvonnis vermeldt het EAB de volgende onderliggende vonnissen:
A. Een
aggregate sentence of the District Court in Przemyśl of 25 February 2020, II K 1160/19met de volgende onderliggende vonnissen
:
A.1 een
sentence of the District Court in Przemyśl of 27 December 2017, II K 1146/17.
A.2 een
sentence of the District Court in Przemyśl of 8 August 2019, II K 1397/18.
A.3 een
sentence of the District Court in Przemyśl 28 October 2019, II K 568/19.
B. Een
sentence of the Regional Court in Przemyśl of 16 January 2020, II K 60/19.
C. Een
sentence of the District Court in Przemyśl of 21 May 2018, II K 1353/17.
D. Een
sentence of the District Court in Przemyśl of 22 August 2019, II K 548/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 843 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis van 22 april 2022.
Het verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vonnissen met kenmerk II K 2/22, II K 1160/19 (A), II K 1146/17 (A.1), II K 1353/17 (C) en II K 277/19.
Ten aanzien van de vonnissen met kenmerk II K 1397/18 (A.2), II K 568/19 (A.3), II K 60/19 (B), en II Ka 171/20 stelt de raadsman dat blijkens de van de Poolse autoriteiten ontvangen aanvullende informatie de correspondentie naar het opgegeven adres van de opgeëiste persoon is gestuurd. De opgeëiste persoon heeft tijdens zijn voorgeleiding en op de zitting van 19 november 2025 aangegeven dat hij vanaf de zomer van 2019 gedetineerd was. Hij wilde wel bij de zitting aanwezig zijn, maar hij werd daartoe niet in de gelegenheid gesteld.
Volgens de raadsman valt uit artikel 75 van het Poolse Wetboek van Strafvordering op te maken dat, indien een persoon gedetineerd is, hij de Poolse autoriteiten niet op de hoogte hoeft te stellen van een adreswijziging. De uit Polen verstrekte informatie hierover lijkt dus niet juist te zijn.
Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden om nader onderzoek te doen naar de vraag of op de opgeëiste persoon de plicht rust om een adreswijziging door te geven als hij gedetineerd zit. De raadsman verzoekt voorts om, indien de behandeling van de zaak wordt aangehouden, de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen.
Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 548/19 (D) stelt de raadsman dat blijkens de aanvullende informatie de opgeëiste persoon in verzet had kunnen gaan en een cassatieprocedure had kunnen doorlopen, maar dat de termijn om deze rechtsmiddelen in te stellen is verlopen. Een duidelijke verzetsgarantie ontbreekt en uit de aanvullende informatie blijkt onvoldoende dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk een nieuwe inhoudelijk proces krijgt.
Op grond van het vorenstaande dient volgens de raadsman de overlevering te worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich ten aanzien van het verzamelvonnis met referentie II K 2/22 op het standpunt dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, b en c, OLW van toepassing is. De opgeëiste persoon is in persoon opgeroepen, had een gemachtigd advocaat die daadwerkelijk de verdediging op zitting heeft gevoerd en hij is in persoon van het vonnis in kennis gesteld.
Ten aanzien van het aan het verzamelvonnis onderliggende, tevens verzamelvonnis met referentie II K 1160/19 (A) stelt de officier van justitie dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard in de penitentiaire inrichting waar hij destijds gedetineerd was.
Met betrekking tot het daaraan onderliggende vonnis met referentie II K 1146/17 (A.1) stelt de officier van justitie dat het om een voorwaardelijke straf ging waarvan vervolgens de tenuitvoerlegging is bevolen. De weigeringsgrond ex artikel 12 OLW is van toepassing, maar daarvan kan worden afgezien. De opgeëiste persoon heeft een schuldbekentenis afgelegd en heeft een akkoord gesloten met de officier van justitie waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden is overeengekomen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie gehad en is zijn adres niet gewijzigd. Alle correspondentie is gestuurd naar het adres wat de opgeëiste persoon heeft opgegeven. Dit alles brengt met zich mee dat hij niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Ter onderbouwing verwijst de officier van justitie naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam in een soortgelijke zaak. [4]
Ten aanzien van het triggerende vonnis met kenmerk II K 277/19 (A.1.1) dat tot de tenuitvoerlegging van het vonnis met referentie II K 1146/17 (A.1) heeft geleid, stelt de officier van justitie dat bij die procedure geen zitting heeft plaatsgevonden waardoor de opgeëiste persoon ook niet zijn aanwezigheidsrecht kon uitoefenen. De weigeringsgrond ex artikel 12 OLW is van toepassing, maar daarvan kan worden afgezien, omdat een adresinstructie is verstrekt en de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van de consequentie van niet-naleving daarvan. Ter onderbouwing verwijst de officier van justitie naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam in een soortgelijke zaak. [5]
Met betrekking tot het onderliggende vonnis met referentie II K 1397/18 (A.2) stelt de officier van justitie dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a en b, OLW van toepassing is. De opgeëiste persoon is in persoon opgeroepen en uit de aanvullende informatie van 6 november 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon een gemachtigd advocaat had (
mandated lawyer) die daadwerkelijk de verdediging op alle vijf zittingen heeft gevoerd.
Ten aanzien van het onderliggend vonnis met referentie II K 568/19 (A.3) stelt de officier van dat de weigeringsgrond ex artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat daarvan kan worden afgezien. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en is op de hoogte gesteld van de consequentie van niet-naleving daarvan. Blijkens de van de Poolse autoriteiten ontvangen aanvullende informatie strekt de adresinstructie zich ook uit tot de situatie dat de opgeëiste persoon in een andere zaak gedetineerd is. De opgeëiste persoon heeft geen adreswijziging doorgegeven.
Ten aanzien van het aan het verzamelvonnis onderliggende vonnis met referentie II K 60/19 (B) stelt de officier van justitie dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet. De opgeëiste persoon is aanwezig geweest op de zitting van 13 januari 2020. In de aanvullende informatie staat weliswaar dat het om de zitting van 13 januari 2019 ging, maar dit is een kennelijke verschrijving, nu uit het EAB blijkt dat het feit waarvoor de opgeëiste persoon in dit vonnis is veroordeeld is gepleegd op 15 augustus 2019.
Ten aanzien van het aan het verzamelvonnis onderliggende vonnis met kenmerk II K 1353/17 (C) stelt de officier van justitie dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld, waardoor de procedure in hoger beroep dient te worden onderworpen aan de toets van artikel 12 OLW. Het betreft het arrest van 29 september 2020 met kenmerk II Ka 171/20. Op dit arrest is de weigeringsgrond ex artikel 12 OLW van toepassing, maar hiervan kan worden afgezien. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en is op de hoogte gesteld van de consequentie van niet-naleving ervan. Blijkens de van de Poolse autoriteiten ontvangen aanvullende informatie strekt de adresinstructie zich ook uit tot de situatie dat de opgeëiste persoon in een andere zaak gedetineerd is. De opgeëiste persoon heeft geen adreswijziging doorgegeven.
Ten aanzien van het aan het verzamelvonnis onderliggende vonnis met kenmerk II K 548/19 (D) stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd. De Poolse autoriteiten hebben aangegeven dat zij in deze zaak een fout hebben gemaakt. Door het openbaar ministerie is gevraagd of de opgeëiste persoon nog in verzet kan gaan, maar op deze vraag is geen duidelijk antwoord gekomen. De termijn voor het instellen van een rechtsmiddel zou zijn verstreken. De opgeëiste persoon heeft hierdoor in deze zaak zijn verdedigingsrechten niet goed kunnen uitoefenen.
Oordeel van de rechtbank
Zoals hiervoor in paragraaf 3 is vastgesteld, betreft het EAB een verzamelvonnis met vier onderliggende vonnissen. Bij een van die onderliggende vonnissen is sprake van een arrest. Daarnaast betreft een onderliggend vonnis één verzamelvonnis met drie onderliggende vonnissen.
Zowel de procedures die tot de onderliggende vonnissen en het onderliggende arrest hebben geleid als de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, vallen onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat bij de onderliggende vonnissen en het onderliggende arrest onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en in het verzamelvonnis de eerder opgelegde straffen zijn samengevoegd tot één straf. De Poolse rechter heeft daarbij een beoordelingsmarge gehad met betrekking tot de duur van die straf.
Het EAB zelf bevat geen informatie over de procedures in de onderliggende vonnissen. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 27 oktober 2025, 6 november 2025, 17 november 2025 en 1 december 2025 desgevraagd aanvullende informatie verstrekt.
Het verzamelvonnis met referentie II K 2/22
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Het onderliggende vonnis, tevens verzamelvonnis met referentie II K 1160/19 (A)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van hetgeen in onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 27 oktober 2025 is vermeld, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon in de gevangenis waar hij op dat moment verbleef in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Het onderliggende vonnis met referentie II K 1146/17 (A.1)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon is verhoord voor het feit waarvoor hij is veroordeeld. De opgeëiste persoon heeft toen een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid, is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Voorts weegt de rechtbank mee dat de opgeëiste persoon een schuldbekentenis heeft afgelegd en heeft een akkoord gesloten met de officier van justitie waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden is overeengekomen. De rechtbank stelt op grond van deze omstandigheden vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the District Court in Przemyślvan 26 september 2019 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
De beslissing tot tenuitvoerlegging zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. [6]
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [7] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit (het triggerende vonnis) die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. In dit geval is dat het vonnis van 5 april 2019 met kenmerk II K 277/19 (A.1.1).
Het triggerende vonnis met kenmerk II K 277/19 (A.1.1)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken, waaronder de aanvullende informatie van 6 november 2025, blijkt dat geen sprake is geweest van een hoorzitting en dat het vonnis achter gesloten deuren is gewezen. Uit die informatie volgt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. Alle correspondentie is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Een kopie van het vonnis met vermelding van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen is eveneens naar het adres van de opgeëiste persoon gestuurd, maar de opgeëiste persoon heeft het stuk niet afgehaald bij het postkantoor. De rechtbank stelt op grond van deze omstandigheden vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Het onderliggende vonnis met referentie II K 1397/18 (A.2)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk bij alle vijf de zittingen heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Het onderliggend vonnis met referentie II K 568/19 (A.3)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken, waaronder de aanvullende informatie van 6 november 2025 en 1 december 2025, volgt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord. De opgeëiste persoon heeft toen een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft deze instructie ondertekend. Blijkens de aanvullende informatie van 1 december 2025 en het daarbij gevoegde ingevulde d-formulier geldt de verplichting om de autoriteiten op de hoogte stellen indien hij langer dan 7 dagen op een ander adres verbleef, ook voor de omstandigheid dat hij in een andere zaak gedetineerd was. De opgeëiste persoon heeft de rechtbank in Polen echter niet van een adreswijziging op de hoogte gesteld. De oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, maar de opgeëiste persoon heeft het stuk niet afgehaald. De rechtbank stelt op grond van deze omstandigheden vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten inhoudt. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Anders dan de raadsman heeft betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag voor te leggen of op een in Polen gedetineerde persoon de verplichting rust om de autoriteiten op de hoogte te stellen van een adreswijziging in een strafprocedure als die persoon vanwege een andere strafzaak gedetineerd raakt. De rechtbank ziet op grond van het vertrouwensbeginsel geen reden om naar aanleiding van het betoog van de raadsman te twijfelen aan de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. Temeer nu de raadsman zijn standpunt niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank wijst het daartoe strekkende subsidiair geformuleerde verzoek van de raadsman dan ook af. Nu de rechtbank het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak afwijst, komt de rechtbank niet toe aan het daaraan gekoppelde schorsingsverzoek.
Het onderliggend vonnis met referentie II K 60/19 (B)
Uit de aanvullende informatie van 1 december 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de zitting die tot de beslissing heeft geleid. Hij is op die zitting bijgestaan door een advocaat en heeft schuld bekend. Dat betekent dat artikel 12 OLW niet van toepassing is. De vermelding in de aanvullende informatie van een zitting van 13 januari 2019 merkt de rechtbank aan als een kennelijke schrijffout, nu uit het EAB blijkt dat het feit waarvoor de opgeëiste persoon in dit vonnis is veroordeeld, is gepleegd op 15 augustus 2019.
Het onderliggend vonnis met referentie II K 1353/17 (C)
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [8]
In deze zaak is op 29 september 2020 een arrest gewezen met kenmerk II Ka 171/20. De rechtbank zal daarom hieronder alleen dat arrest aan artikel 12 OLW toetsen.
Het arrest in hoger beroep met kenmerk II Ka 171/20 (C.1)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
Blijkens de aanvullende informatie van 27 oktober 2025 heeft de opgeëiste persoon geen hoger beroep ingesteld, maar is dit gedaan door het Poolse openbaar ministerie. Desondanks ziet de rechtbank toch aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord. De opgeëiste persoon heeft daarbij een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. Blijkens de aanvullende informatie van 1 december 2025 en het daarbij gevoegde ingevulde d-formulier geldt de verplichting om de autoriteiten op de hoogte stellen indien de opgeëiste persoon langer dan 7 dagen op een ander adres verblijft, ook voor de omstandigheid dat hij in een andere zaak gedetineerd was. De opgeëiste persoon heeft geen adreswijziging doorgegeven en de oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid, is gezonden aan het door e opgeëiste persoon opgegeven adres. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
De rechtbank ziet in wat zij hiervoor bij het onderliggende vonnis met referentie II K 1397/18 (A.2) heeft overwogen, ook hier geen aanleiding om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag voor te leggen of in Polen op een persoon de verplichting rust om de autoriteiten op de hoogte te stellen van een adreswijziging in een strafprocedure als die persoon vanwege een andere strafzaak gedetineerd raakt.
Het onderliggend vonnis met referentie II K 548/19 (D)
Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie van
27 oktober 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon eerder was veroordeeld tot 1 jaar onbetaalde begeleide taakstraf. Deze taakstraf is samengevoegd met andere straffen (gevangenisstraffen) in het verzamelvonnis met kenmerk II K 2/22.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In de aanvullende informatie van 6 november 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder meer vermeld dat de opgeëiste persoon geen adresinstructie heeft ontvangen in deze zaak en dat hij niet op de juiste wijze is opgeroepen. De correspondentie is namelijk verstuurd naar een verkeerd adres door toedoen van een fout van de zijde van de rechtbank. Hieruit volgt dat de opgeëiste persoon in deze procedure geen gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Feit I:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Feiten II en IV
:
diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.
Feit III:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Feit V:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

6.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [9]

7.Slotsom

Ten aanzien van de beslissingen met de kenmerken II K 2/22, II K 1160/19 (A), II K 1146/17 (A.1), II K 1353/17 (C) en II Ka 171/20, II K 1397/18 (A.2), II K 568/19 (A.3) en II K 60/19 (B).
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering voor deze beslissingen toe.
Ten aanzien van de beslissing met kenmerk II 548/19 (D)
De rechtbank weigert de overlevering voor deze beslissing.
De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd voor de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Dit staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 141, 266, 300, 311 en 312 van Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

-
STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Przemyśl (Sąd Okręgowy w Przemyslu),Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB ten aanzien van de beslissingen met de kenmerken II K 2/22, II K 1160/19 (A), II K 1146/17 (A.1), II K 1353/17 (C) en II Ka 171/20, II K 1397/18 (A.2), II K 568/19 (A.3) en II K 60/19 (B).
-
WEIGERTde overlevering voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB ten aanzien van de beslissing met kenmerk II K 548/19 (D).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rechtbank Amsterdam 9 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6907.
5.Rechtbank Amsterdam 5 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4256.
6.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
7.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
9.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (