Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10227

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
AWB 24/8194 en AWB 24/4387
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning verblijfsvergunning op grond van beschermenswaardig familie- of gezinsleven volgens artikel 8 EVRM

Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel 'verblijf als familie- of gezinslid' op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv en het ontbreken van beschermenswaardig familieleven.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven heeft aangenomen tussen eiseres en haar dochter. De rechtbank stelt dat er sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen, mede door de langdurige financiële en emotionele afhankelijkheid, mantelzorg en de medische situatie van eiseres.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en een belangenafweging te maken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, waarbij de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/8194 en AWB 24/4387
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van

17 december 2025 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister [bedrijf] , verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en verzoekt om een voorlopige voorziening. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep en de voorlopige voorziening van eiseres.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat de minister ten onrechte geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM heeft aangenomen tussen eiseres en haar dochter. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de dochter van eiseres (referente), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Eiseres was ook aanwezig op zitting. Eiseres zat in een rolstoel en leek afwezig. Het is voor de rechtbank onduidelijk of eiseres wel heeft begrepen wat er is besproken op zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3.1.
Eiseres heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1951. Eiseres heeft op 8 februari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie of gezinslid’ omdat zij in Nederland wil verblijven bij haar beide kinderen en kleinkinderen.
3.2.
De minister is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven wegens het ontbreken van een mvv. [3] De minister heeft eiseres niet vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Er is volgens de minister geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij voordat zij naar Nederland vertrok al jarenlang met referente samenwoonde. Ook is volgens de minister niet gebleken dat referente als enige voor eiseres kan zorgen. Dit kan volgens de minister ook gedaan worden door andere familieleden of derden. Dat eiseres afhankelijk is van hulp en zonder hulp niet zelfstandig kan functioneren heeft eiseres niet met nadere stukken onderbouwd. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister echter wel erkend dat eiseres mantelzorg nodig heeft en ze die in Nederland krijgt van referente. Verder heeft de minister overwogen dat eiseres sterke banden heeft met Marokko en heeft de minister naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024 [4] geen belangenafweging gemaakt. Daarnaast is er volgens de minister geen reden om aan eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning of uitstel van vertrek te verlenen.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
4.1.
Eiseres voert aan dat zij voldoende heeft aangetoond dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente. Er is sprake van een emotionele afhankelijkheid waar de minister ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. Volgens eiseres is zij volledig afhankelijk van de mantelzorg van referente in Nederland en is zij niet in staat zelfstandig in Marokko te leven. Eiseres heeft niemand meer in Marokko die aan haar de noodzakelijke mantelzorg kan bieden. Er zijn geen instellingen of commerciële bedrijven die mantelzorg bieden op locatie in Marokko. Eiseres heeft verschillende bewijsstukken van haar behandelend artsen in Marokko overgelegd omtrent haar slechte gezondheidssituatie. Zij is geopereerd aan keelkanker en ondervindt hier nog steeds heel veel last van. Zij is nog niet hersteld. Eiseres kan vanwege haar huidige verblijfsstatus geen gebruik maken van de Nederlandse gezondheidszorg. Als gevolg hiervan verslechtert haar gezondheidssituatie. Naast de keelkanker lijdt eiseres nog aan verschillende andere aandoeningen, zoals gehoor- en zichtproblemen, ruis in haar hoofd en beginnende dementie/Alzheimer.
4.2.
Uit rechtspraak van het EHRM [5] volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, sprake moet zijn van emotionele banden die het gangbare overstijgen (‘more than the normal emotional ties’). [6] Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar de bijkomende elementen van afhankelijkheid (‘additional elements of dependancy’). [7] Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [8] Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
4.3.
De vraag of sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen toetst de rechtbank – anders dan de Afdeling – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025 [9] en 23 juli 2025. [10]
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het bestreden besluit blijkt dat het standpunt van de minister dat geen sprake is van familie- of gezinsleven, hoofdzakelijk is gebaseerd op de omstandigheid dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zonder hulp van referente niet zelfstandig kan functioneren en deze zorg niet door anderen in Marokko geboden kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een omstandigheid die de minister mag betrekken bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid maar de minister heeft aan deze omstandigheid in het bestreden besluit een zodanig gewicht toegekend dat het er in feite op neerkomt dat het als vereiste wordt gesteld voor het bestaan van emotionele banden die het gangbare overtijgen. Dat is een te streng en onjuist criterium, dat niet voorkomt in de rechtspraak van het EHRM. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt ook niet dat sprake moet zijn van een afhankelijkheid die het gebruikelijke overstijgt, maar of de emotionele banden het gangbare overstijgen. [11]
4.5.
Bovendien is de rechtbank van oordeel dat er wel voldoende bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiseres en referente die maken dat hun emotionele banden het gangbare overstijgen. Zo woont eiseres sinds haar vertrek naar Nederland op 19 december 2022 samen met referente en heeft referente op zitting toegelicht dat eiseres al een hele lange tijd 100% financieel afhankelijk is van haar, ook al vóór de komst van eiseres naar Nederland. Ook voelt referente zich verantwoordelijk voor eiseres in haar hulpbehoevende situatie, wat ook bijdraagt aan de emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Daarnaast wordt door de minister niet langer betwist dat eiseres mantelzorg nodig heeft vanwege haar hoge leeftijd en medische omstandigheden. Deze mantelzorg wordt sinds december 2022 geboden door eiseres, met hulp van haar familieleden in Nederland. De toenemende medische klachten van eiseres – en de daarmee gepaard gaande afnemende zelfstandigheid – maken de afhankelijkheid tussen eiseres en referente sterker. Tot slot heeft de minister te veel gewicht toegekend aan de banden van eiseres met het land van herkomst. Eiseres heeft in Marokko een oudere broer en zus die beide op zeer hoge leeftijd zijn en medische problemen hebben en een broer waarmee ze al jaren geen contact heeft, terwijl haar beide kinderen en alle kleinkinderen allemaal in Nederland wonen.
4.6.
Vol toetsend is de rechtbank dan ook van oordeel dat tussen eiseres en haar dochter sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen en dus van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond omdat de minister ten onrechte geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM heeft aangenomen tussen eiseres en referente. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat tussen eiseres en haar dochter sprake is van familieleven- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM moet de minister een belangenafweging maken. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
5.2.
Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiseres en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zaak AWB 24/4387.
3.Machtiging tot voorlopig verblijf.
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
8.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
11.Arrest van het EHRM van 10 september 1992, K. tegen Zweden, app.no. 20470/92.