ECLI:NL:RBAMS:2025:10438

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
13/154433-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) op basis van individueel gevaar voor de opgeëiste persoon

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De rechtbank heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering om het EAB in behandeling te nemen, omdat er een individueel reëel gevaar is vastgesteld voor de opgeëiste persoon. De zaak betreft een vervolgings-EAB dat is uitgevaardigd op 23 juli 2024 en waarin de opgeëiste persoon wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen. Tijdens de zitting op 2 december 2025 heeft de rechtbank de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, maar met schorsing tot aan de uitspraak. De verdediging stelde dat het EAB niet genoegzaam was, terwijl de officier van justitie het tegendeel betoogde. De rechtbank oordeelde dat de omschrijving van de feiten in het EAB voldoende was, maar dat er een algemeen reëel gevaar bestond van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon in Polen. De rechtbank concludeerde dat het individuele gevaar niet binnen een redelijke termijn zou worden weggenomen en gaf daarom geen gevolg aan het EAB. De uitspraak beëindigde de overleveringsprocedure en de (geschorste) overleveringsdetentie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/154433-25
Datum uitspraak: 16 december 2025
UITSPRAAK
op de (herstel)vordering van 16 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 juli 2024 door de
Regional Court in Kraków, 3rd Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 25 januari 2024 uitgevaardigd door de
District Court for Kraków-Śródmieście in Kraków, 2nd Criminal Division,referentie II Kp 1914/23/S.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Genoegzaamheid

4.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is, omdat de verdenking onvoldoende duidelijk is omschreven. Zowel de pleegperiode als de pleegplaats zijn niet concreet genoeg omschreven. Daarnaast is onvoldoende duidelijk waarop de verdenking is gebaseerd. De raadsman heeft daarom primair verzocht om geen gevolg te geven aan het EAB en subsidiair om aanhouding om aanvullende vragen te stellen over de verdenking aan de Poolse autoriteiten.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Uit de feitenomschrijving volgen de pleegplaats, pleegdata en de rol van de opgeëiste persoon, waardoor voldoende duidelijk is voor welke strafbare feiten de overlevering wordt verzocht.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB genoegzaam is. Hoewel de pleegperiode en de pleegplaats vrij ruim zijn omschreven, blijkt uit de omschrijving van de feiten voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht. In dit kader is ook van belang dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Polen wordt verdacht, zal later in Polen moeten blijken. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, hoeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de grondslag van de verdenking niet concreet uit te werken of te onderbouwen. Het oordeel over de gegrondheid van de verdenking of over het bewijs is voorbehouden aan de rechter in de uitvaardigende lidstaat.
Het verweer slaagt niet.

5.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op het feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Artikel 11 OLW

6.1
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.2
Detentieomstandigheden; Poolseremand regime
6.2.1
Inleiding
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 [6] en 6 juni 2024 [7] .
De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
De Poolse autoriteiten hebben bij mailbericht van 23 oktober 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"1. Pursuant to article 110 § 2 of the Executive Penal Code, the area of a residential cell per convict is no less than 3 square metres. According to this article, this standard will be maintained for persons deprived of their liberty if they are placed in penitentiary units subordinate to the District Director of the Prison Service in Kraków.
2.According to article 207 of the Executive Penal Code, "The execution of pre-trial detention serves the purposes for which this measure was applied, and in particular, to secure the proper course of criminal proceedings." Therefore, the activity of persons under temporary detention is carried out under the principles specified in the provisions governing the execution of pre-trial detention. Persons under temporary detention have the opportunity to participate in all available forms of cultural, educational and sports activities, or employment under the principles specified in Article 218 of the Executive Penal Code. In addition to regular activities, similar to those in which all convicts participate (recreational, sports, cultural and educational activities), pre-trial detainees are activated by the opportunity to participate in various types of activities directed exclusively at this category of inmates, depending on the cultural and educational offer available in individual detention centers. This offer is updated on an ongoing basis depending on the needs and capabilities of a given penitentiary unit. It should be noted that the use of all proposed and available forms of activity is voluntary and not obligatory, therefore determining the exact number of hours that an inmate will spend outside of his cell during the day is difficult to estimate.
It should be noted that an inmate's stay outside their cell also includes one hour of walks per day, visits to a counselor, conversations with a psychologist, visits to the bathroom, the outpatient clinic, and, upon obtaining permission from the body in charge of the inmate, visits from defense attorneys and loved ones, as well as the use of a self-paying telephone.
With the above in mind, the duration of an inmate's stay outside their cell depends not only on the services offered and the actions of the detention center administration, but also on the individual needs and preferences of the inmate. Therefore, it is impossible to estimate."
Het openbaar ministerie heeft op 10, 25 en 26 november 2025 de uitvaardigende justitiële verzocht om aanvullende informatie. Op 10 en 26 november heeft het openbaar ministerie daarbij het volgende vermeld:
“Without the requested additional information, the Court of Amsterdam will most likely not grant the surrender of the wanted person.”
Vervolgens hebben op 26 november 2025 de Poolse autoriteiten het volgende geantwoord:
“Further to our previous correspondence, I would like to inform you that all information regarding the prison situation regarding suspect [opgeëiste persoon] has been presented to you in detail.”
6.2.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar van schending van grondrechten in het
remand regimein Polen voor de opgeëiste persoon niet wordt weggenomen door de verstrekte informatie. De Poolse autoriteiten hebben in de aanvullende informatie van 23 oktober 2025 aangegeven dat het onmogelijk is om te schatten hoeveel tijd de opgeëiste persoon gemiddeld dagelijks buiten de cel kan doorbrengen. Dat de opgeëiste persoon minstens twee uur buiten de cel kan doorbrengen wordt dan ook niet gegarandeerd en blijkt ook niet uit de informatie. Uit de mededeling van 26 november 2025 blijkt verder dat het geen zin heeft om nogmaals om aanvullende informatie te vragen. De raadsman heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat een individueel reëel gevaar moet worden aangenomen, dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
6.2.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende informatie niet voldoende is om het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in het
remand regimein Polen voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Wat betreft de vraag of de rechtbank de beslissing over de overlevering nog zou moeten aanhouden om een redelijke termijn te stellen waarbinnen mogelijk een wijziging van de omstandigheden plaats kan vinden, heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.2.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is allereerst van oordeel dat op grond van de aanvullende informatie van 23 oktober 2025 niet kan worden vastgesteld waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst
.In de aanvullende informatie staat enkel dat de genoemde standaard “
will be maintained for persons deprived of their liberty if they are placed in penitentiary units subordinate to the District Director of the Prison Service in Kraków”.De opgeëiste persoon lijkt dus in (de regio van) Kraków te worden geplaatst, maar in welke instelling is onduidelijk, terwijl de informatie de indruk wekt dat er meerdere instellingen zijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook de overige informatie die op 23 oktober 2025 is verstrekt te algemeen van aard is. Er wordt enkel in zijn algemeenheid, zonder toespitsing op de opgeëiste persoon, gewezen op artikelen uit de Poolse wet waaruit blijkt dat gedetineerden het recht hebben deel te nemen aan verschillende activiteiten. Bovendien vermelden de Poolse autoriteiten dat het niet mogelijk is om aan te geven hoeveel tijd de opgeëiste persoon daarmee dagelijks buiten de cel kan verblijven. Ook is onvoldoende informatie beschikbaar op basis waarvan de rechtbank zelf kan concluderen hoe lang de in de informatie genoemde activiteiten duren en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon aan die activiteiten kan deelnemen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Dat betekent dat er voor de opgeëiste persoon een reëel individueel gevaar bestaat dat hij in detentie in het
remand regimein Polen onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.
Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW moet de rechtbank, als zij een individueel reëel gevaar vaststelt, de beslissing over de overlevering aanhouden, tenzij evident is dat dit gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank doet die laatste situatie zich hier voor. De Poolse autoriteiten zijn er door het openbaar ministerie drie keer op gewezen dat aanvullende informatie nodig is, met expliciete vermelding van het waarschijnlijke gevolg als geen aanvullende informatie wordt verschaft. In reactie daarop hebben de Poolse autoriteiten laten weten zij alle informatie over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon (in detail) hebben verstrekt. Hierdoor is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat het vastgestelde individuele gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in omstandigheden.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal de officier van justitie op grond van artikel 28, derde lid, OLW niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Daarmee wordt de overleveringsprocedure en derhalve ook de (geschorste) overleveringsdetentie beëindigd.

7.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

11.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

12.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
7.Rb. Amsterdam 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.