ECLI:NL:RBAMS:2025:10567

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
13-167878-25 (EAB I)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees Aanhoudingsbevel met betrekking tot verdedigingsrechten en overlevering

Op 31 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat door Polen is uitgevaardigd. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1989 in Polen, die momenteel gedetineerd is in Nederland. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 18 december 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was, bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. De verdediging heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij een eerdere zitting op 18 maart 2024, waardoor zijn verdedigingsrechten in het geding zouden zijn. De officier van justitie heeft betoogd dat de overlevering niet geweigerd hoeft te worden op basis van deze weigeringsgrond. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig was bij de zitting die leidde tot de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf. De rechtbank heeft de behandeling van het overleveringsverzoek aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te winnen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat er geen reëel gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen, omdat de opgeëiste persoon geen bewijs heeft geleverd van een individueel reëel gevaar. De zaak zal opnieuw worden behandeld, met een deadline voor de zitting op 27 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-167878-25 (E‌AB I)
Datum uitspraak: 31 december 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 mei 2025 door
the Regional Court in Gliwice,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] , Polen,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentie-instelling] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgement issued by the Regional Court in Gliwice on 7th June 2023,met referentie IV K 117/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zes maanden en negentien dagen. De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Bij beslissing van
18 maart 2024 door
the Regional Court in Gliwiceis de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de zitting van 18 maart 2024. Hij heeft dan ook geen gebruik kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW en dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder aan de opgeëiste persoon voorwaardelijk opgelegde straf niet aan artikel 12 OLW hoeft te worden getoetst.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 20 november 2025 volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting van 4 juli 2022 waarbij hij op zijn rechten en plichten als verdachte is gewezen. Hij is gewezen op de mogelijkheid van bijstand door een van overheidswege toegewezen advocaat, maar heeft aangegeven zelf een advocaat te willen kiezen. Dit heeft hij niet gedaan. Daarnaast is de opgeëiste persoon erop gewezen dat ook in zijn afwezigheid een beslissing kan worden genomen. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij een adres zou doorgeven waar hij bereikbaar zou zijn. Bij het verlaten van de gevangenis heeft hij een adres opgegeven, waar hij ook op stond ingeschreven. Hij is op dat moment eveneens gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en op de gevolgen als bedoeld in artikel 139 van het Poolse Wetboek van Strafvordering als hij dit niet zou doen.
Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt niet of de opgeëiste persoon voor de zitting(en) die na 4 juli 2022 in de hoofdprocedure heeft/hebben plaatsgevonden is opgeroepen op het adres dat de opgeëiste persoon heeft doorgegeven als correspondentieadres. Zonder deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen of de opgeëiste persoon (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheid op de verdere zitting(en) dan wel of hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank zal de behandeling van het overleveringsverzoek daarom aanhouden om de officier van justitie in gelegenheid te stellen hierover nadere informatie in te winnen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van 18 maart 2024 door
the Regional Court in Gliwiceis de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Uit de aanvullende informatie van
20 november 2025 volgt dat de tenuitvoerlegging is bevolen omdat de opgeëiste persoon zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden, namelijk het onderhouden van contact met zijn reclasseringsambtenaar en het geven van informatie over de voortgang van zijn proeftijd.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [4] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 18 maart 2024 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. [5] Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten zoals opgenomen onder I en II aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het onder III in het EAB genoemde feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
handelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

6.Heropening

De rechtbank zal het onderzoek in deze zaak heropenen, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in punt 3.1 bedoelde nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. De zaak dient uiterlijk 14 dagen voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 27 januari 2026 weer op zitting te worden gepland, tezamen met de eveneens aanhangige zaak die ziet op EAB II (parketnummer 13-028589-25).

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in punt 3.1 bedoelde nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEPAALTdat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 27 januari 2026, uiterlijk veertien dagen voor die datum opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (