AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en Poolse detentieomstandigheden
De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 december 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen gericht op de overlevering van een opgeëiste persoon verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon is gedetineerd in Nederland en heeft procesafspraken gemaakt met het Poolse openbaar ministerie, wat aanleiding gaf tot bezorgdheid over zijn veiligheid in Poolse detentie.
De rechtbank constateerde dat er een algemeen reëel gevaar bestaat voor schending van grondrechten in Poolse voorarrestcentra, maar dat dit niet automatisch leidt tot weigering van overlevering. De Poolse autoriteiten gaven aan dat de opgeëiste persoon 3 m2 persoonlijke ruimte krijgt en gemiddeld tot twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, hoewel de informatie over de dagelijkse activiteiten en de duur daarvan onvoldoende concreet is.
De raadsman voerde aan dat de opgeëiste persoon risico loopt op represailles vanwege zijn procesafspraken, maar de rechtbank vond geen objectieve en betrouwbare gegevens die een dergelijk individueel gevaar aantonen. Wel stelde de rechtbank vast dat het algemene gevaar niet is weggenomen en dat er een individueel gevaar bestaat bij overlevering.
Daarom besloot de rechtbank de beslissing over de overlevering aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, en stelde zij een redelijke termijn van tien dagen vast om te zien of de omstandigheden wijzigen. Tevens verlengde de rechtbank de beslistermijn en de gevangenhouding met zestig dagen. De zaak wordt opnieuw ingepland na 10 januari 2026 en uiterlijk veertien dagen voor 27 januari 2026, waarna een definitieve beslissing zal volgen.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan en stelt een redelijke termijn van tien dagen vast om te beoordelen of het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-028589-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 31 december 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 oktober 2024 door the District Court in Krakow, Third Criminal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] , Polen,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een
enforceable order for detention pending trial issued at Sąd Rejonowy dla Krakowa-Śródmieścia w Krakowie Wydział II Karny [Krakow-Śródmieścia Regional Court in Krakow Second Criminal Division] on 16 July 2020, met referentie II Kp 1082/20/S ;
enforceable order for detention pending trial issued at Sąd Rejonowy dla Krakowa-Śródmieścia w Krakowie Wydział II Karny [Krakow-Śródmieścia Regional Court in Krakow Second Criminal Division] on 8 May 2024, met referentie II Kp 615/24/S .
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
De rechtbank heeft eerder geoordeeld [6] dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum ( hierna: IRC) op
17 november 2025 de volgende nadere vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
1. In which remand prison will mr. [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will mr. [de opgeëiste persoon] have in a multi-
occupancy cell? In case mr. [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space
between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell,
could you please answer the following question(s):
3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day
outside of his cell?
4. If not, how many hours per day on average would mr. [de opgeëiste persoon] , under normal
circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all
opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
- Which activities the wanted person can participate in;
- The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,
common rooms, etc.);
- The frequency of such activities and how much time the wanted person can access
the common areas outside of the cell;
- Whether the permission to participate in activities or access to common areas
is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case,
which conditions or procedural rules; and/or
- Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general
risk of ill-treatment has been discounted.
De Poolse autoriteiten hebben de door het IRC geformuleerde vragen, voor zover relevant, op
21 november 2025 als volgt beantwoord:
Re: I.
After his transfer, [de opgeëiste persoon] will most likely be placed in the Remand Centre in Kraków, located at ul. Montelupich 7, 31-155 Kraków.
Re: II.
In a multi-person cell (excluding sanitary facilities), [de opgeëiste persoon] will be allocated 3 square metres of personal space.
(…)
Re: III and IV
1. In response to the question concerning the number of hours spent outside the cell, it should be noted that [de opgeëiste persoon] will have the opportunity to participate in activities organised within the Remand Centre.
(…)
Persons held in pre-trial detention in the Remand Centre in Kraków may spend time outside their residential cell in a division common room or the external common room in accordance with the schedule of cultural, educational and sports activities organised in the common rooms and other designated areas. This typically amounts to one hour per week, or two or more hours if a detainee is placed in a group of inmates that includes a Juvenile, or if a detainee receives a reward in the form of authorisation to participate more frequently in physical education, sports or cultural and educational activities. Inmates have at their disposal a table tennis table,an exercise bike, table football, a television and a games console. In the external common room, strength-training equipment and a table tennis table are also available.
(…)
Having regard to the above, it is not possible to indicate precisely the number of hours an inmate will spend outside the cell during the day, due to a number of individual circumstances and the necessity of ensuring the proper course of the criminal proceedings. However, it
should be assumed that this time will range between one hour per day (a walk, provided the inmate does not waive this entitlement) and several hours per day, depending on the day of the week, the situation related to the established internal order of the remand centre, the individual needs of the individual inmates, their legal situation or state of health, as well as the level of engagement of the person held in pre-trial detention himself.
In de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 5 december 2025 staat:
Other possibilities to leave the cell (such as cultural-educational activities or sporting activities) are not available on a daily basis. Other activities, such as meetings with an educator or psychologist, visits with close relatives, or religious practices are not conducted according to predetermined schedules and their frequency is irregular. In very exceptional situations, for example connected with a detainee’s personal or health condition (such as intellectual
disability, mental disorder, death of a close relative), conversations between the detainee and a psychologist, psychiatrist or educator may last even several hours during the day; however, such procedure cannot be implemented for the majority of persons deprived of liberty.
Persons in pre-trial detention remain outside their residential cell at this Remand Centre for a minimum of one hour per day and up to several hours per day, depending on the day of the week, on circumstances relating to the internal schedule established at the Centre (e.g., bathing twice a week, making telephone calls, official visits and visits with close relatives), procedural activities conducted within or outside the facility, as well as the individual needs of particular detainees, their legal situation or state of health.
It is also not possible to establish in advance what activities and opportunities will be offered to detainees in the future. It may be assumed, as an approximation, that the realistic time spent daily outside the cell by persons in pre-trial detention amounts to up to two hours.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon gevaar loopt in detentie, omdat hij procesafspraken heeft gemaakt met het Poolse openbaar ministerie. De opgeëiste persoon is bang dat deze procesafspraken zijn uitgelekt, waardoor hij represailles vreest in detentie van onder meer de personen waarover hij informatie heeft verschaft.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering kan beschikken over een persoonlijke celruimte van 3 m2 en dat hij tot twee uur per dag buiten de cel mag verblijven. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank of deze informatie voldoende is om het gevaar weg te nemen en heeft opgemerkt dat de opgeëiste persoon ook nog een straf van één jaar, zes maanden en negentien dagen in Polen moet uitzitten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als eerst dat zij geen algemeen reëel gevaar heeft aangenomen dat personen die in Polen gedetineerd zijn het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden, doordat de veiligheid van gedetineerden die procesafspraken hebben gemaakt niet is gewaarborgd. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een dergelijk algemeen reëel gevaar blijkt. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk concreet gevaar voor de opgeëiste persoon. Dit verweer wordt verworpen.
Ten aanzien van de detentieomstandigheden in het remand regimeoverweegt de rechtbank als volgt. Op basis van de voornoemde aanvullende informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Hierbij is het volgende van belang. Voor de opgeëiste persoon is 3 m2 persoonlijke leefruimte gegarandeerd. Echter, de informatie waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen en de duur van die activiteiten, alsmede de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn, is onvoldoende concreet. De rechtbank kan aan de hand van de aanvullende informatie niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden ongeveer buiten de cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. Uit de verstrekte informatie lijkt te volgen dat voorlopig gedetineerden, naast de dagelijkse wandeling van een uur, slechts gemiddeld een uur per week buiten de cel kan verblijven en dat dit slechts in bijzondere omstandigheden of als beloning voor goed gedrag kan oplopen naar maximaal gemiddeld twee uur per dag. De gegeven informatie is op dit moment onvoldoende concreet om voor de opgeëiste persoon het bedoelde algemene reële gevaar uit te sluiten.
De rechtbank stelt dan ook vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank ziet aanleiding om daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een relatief korte redelijke termijn van tien dagen vast te stellen. In de eerste plaats heeft dit te maken met de omstandigheid dat door het IRC inmiddels tweemaal duidelijke vragen zijn gesteld zodat mag worden verondersteld dat het voor de uitvaardigende justitiële autoriteit duidelijk is welke informatie de rechtbank nodig heeft om te beoordelen of het algemeen reëel gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Daarnaast is bij de rechtbank eveneens een ander ten aanzien van de opgeëiste persoon uitgevaardigd EAB met parketnummer 13-167878-25 in behandeling, waar de rechtbank uiterlijk op 27 januari 2026 op dient te beslissen, en de rechtbank streeft ernaar om op beide EAB’s gelijktijdig te beslissen. De voortzetting van de zaak zal daarom worden ingepland na het einde van deze termijn (op 10 januari 2026) en uiterlijk 14 dagen voor 27 januari 2026, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 27 januari 2026. Alhoewel de rechtbank, gezien het voormelde streven om in beide EAB’s tegelijkertijd uitspraak te doen, waarschijnlijk geen verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij zekerheidshalve tevens op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn verlengen met zestig dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
6.Beslissing
HEROPENTen SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting na het einde van de redelijke termijn (op 10 januari 2026) en uiterlijk 14 dagen voor 27 januari 2026.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met zestig dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met zestig dagen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (