ECLI:NL:RBAMS:2025:10575

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
13-012558-25 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak in vervolgings-EAB uit Polen met betrekking tot detentieomstandigheden en evenredigheid

Op 31 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat door Polen was uitgevaardigd. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB in behandeling genomen. De opgeëiste persoon, geboren in Polen, is in Nederland gedetineerd en heeft een verzoek tot overlevering ontvangen. Tijdens de zitting op 18 december 2025 heeft de rechtbank de termijn voor uitspraak verlengd met 30 dagen, waarbij ook de gevangenneming is bevolen. De rechtbank heeft de detentieomstandigheden in Polen beoordeeld, met speciale aandacht voor de mogelijkheid van de opgeëiste persoon om koosjere maaltijden te ontvangen en de algemene detentieomstandigheden in remand prisons. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van de grondrechten van gedetineerden in Polen, maar heeft ook geconcludeerd dat er onvoldoende bewijs is dat dit gevaar specifiek voor de opgeëiste persoon geldt. De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering aangehouden en een termijn van 30 dagen vastgesteld om te zien of er wijzigingen in de omstandigheden optreden. De zaak zal opnieuw worden ingepland op 29 januari 2026 of uiterlijk tien dagen daarna.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-012558-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 31 december 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 23 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 november 2024 door
the Circuit Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in de Penitentiaire [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. van Aken, advocaat in Geertruidenberg, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een beslissing van 8 mei 2024 (III K 430/20) van
the Circuit Court in Poznań. to impose a preventive measure in the form of arrest warrant for six months following his apprehension.Verder vermeldt het EAB dat
the Court of Appeal in Poznańmet een beslissing van 26 juni 2024 (II AKz 344/24) de beslissing van 8 mei 2024 in stand heeft gelaten na een door de advocaat van de opgeëiste persoon ingesteld hoger beroep
.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Het standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld. Noch ten aanzien van het onafgebroken verblijf gedurende vijf jaren, noch ten aanzien van de rechtmatigheid van het verblijf zijn stukken ter onderbouwing overgelegd die de gehele periode bestrijken. Daarbij komt dat de opgeëiste persoon zelf ook heeft verklaard voor een gedeelte van de tijd in Polen te hebben gewoond.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De stelling dat de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijk zou kunnen worden gesteld, is onvoldoende met stukken onderbouwd. Ook de stukken die eerder zijn ingediend in het kader van een schorsing zijn niet voldoende om het ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland gedurende vijf jaren aan te tonen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Dit betekent dat niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de tweede voorwaarde. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek is aangevangen in Polen, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de drugs in Polen zijn ingevoerd en de medeverdachten daar worden vervolgd en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor dit feit te vervolgen.
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, dan wel hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.

7.Evenredigheid

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering wordt gevraagd voor een feit van dertien jaar geleden, terwijl de opgeëiste persoon inmiddels een leven in Nederland heeft opgebouwd. Ook zou met minder vergaande maatregelen dan uitvaardiging van een EAB kunnen worden volstaan, zodat de opgeëiste persoon zijn proces in vrijheid kan afwachten. Dit geldt al helemaal nu de opgeëiste persoon voor deze feiten al eerder voor lange tijd in Polen in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De rechtbank vat het standpunt van de raadsman op als een beroep op de evenredigheid van het EAB.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de afweging om een EAB uit te vaardigen is voorbehouden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Uit het stelsel van overlevering volgt dat een evenredigheidsafweging is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Poolse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB in beginsel gegeven. Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Poolse autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de (persoonlijke) belangen van de opgeëiste persoon is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

8.Artikel 11 OLW

8.1.
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, gelet op de structurele en fundamentele gebreken die het recht op een onafhankelijk en vooraf bij wet ingesteld gerecht aantasten. Alles bij elkaar, een in potentie zeer lange voorlopige hechtenis, voor zeer oude feiten, in zaken waarin cliënt al drie jaar in voorlopige hechtenis heeft gezeten, maakt dat thans voor de opgeëiste persoon sprake is van een voldoende concreet en verifieerbaar gevaar van schending van zijn grondrechten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen elementen zijn aangevoerd waaruit blijkt dat de structurele of fundamentele gebreken waar de raadsman naar verwijst daadwerkelijk een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht geeft geen blijk van elementen waaruit volgt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak. Hierdoor is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
8.2.
Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden inremand prisons
Verstrekking koosjere maaltijden
Het standpunt van de raadsman
De opgeëiste persoon is Joods en daarom moet hij koosjer eten. De opgeëiste persoon zal bij het verkrijgen van koosjere maaltijden mogelijk afhankelijk zijn van familie, waarvan bezoek maar zeer beperkt mogelijk is. Primair heeft de raadsman daarom verzocht om de overlevering op grond van artikel 11 OLW te weigeren. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen, waarbij informatie moet worden verkregen ten aanzien van het verkrijgen van koosjere maaltijden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit verweer van de raadsman geen specifiek standpunt ingenomen.
Het oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016 (ECLI:EU:C:2016:198, Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, dient de rechtbank te beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
De rechtbank vat het standpunt van de raadsman zo op als heeft hij willen betogen dat gedetineerden in Polen niet in de gelegenheid worden gesteld om hun geloof actief te belijden en daarom in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat zij onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft dit standpunt niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd. De rechtbank is ook ambtshalve niet met dergelijke gegevens bekend.
De rechtbank kan daarom op niet de conclusie trekken dat overgeleverde personen in Polen in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen op dit punt.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling in detentie bestaat op dit punt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Het eerder aangenomen algemene reële gevaar ten aanzien van hetRemand regime
De rechtbank heeft eerder geoordeeld [7] dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op
13 november 2025 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
“1. In which remand prison will Mr. [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will Mr. [de opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case Mr. [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):
3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell?
4. If not, how many hours per day on average would Mr. [de opgeëiste persoon] , under normal
circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all
opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
- Which activities the wanted person can participate in;
-The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,
common rooms, etc.);
The frequency of such activities and how much time the wanted person can access
the common areas outside of the cell;
- Whether the permission to participate in activities or access to common areas
is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case,
which conditions or procedural rules; and/or
- Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general
risk of ill-treatment has been discounted.”
De Poolse autoriteiten hebben de door het IRC geformuleerde vragen op 17 november 2025 als volgt beantwoord:
“In response to your e-mail of 13/11/2025. we, the Regional Court in Poznan, 3rd Criminal Division, would like to inform you that:
1. At present, it is not possible to specify the particular remand centre where [de opgeëiste persoon] will be held; however, it is usually the centre closest to the court that will be hearing the case of the remanded person.
2. According to Polish law, the floor space per inmate in a residential cell must be no less than 3 m2. In addition, each cell is equipped with appropriate accommodation facilities providing the inmate with a separate place to sleep. Furthermore, the cell must provide adequate hygiene conditions, sufficient air supply and temperature appropriate for the season, as well as lighting in accordance with the standards specified for living quarters.
3. It is not possible to guarantee that Mr [de opgeëiste persoon] will be allowed to spend at least two hours outside his cell. Under Polish law, prisoners enjoy the rest necessary for health, in particular at least one hour of walking and eight hours of sleep per day. Furthermore, remand prisoners who demonstrate outstanding compliance with internal order in the remand centre and the rules set out in the organisational and disciplinary regulations for the execution of remand detention may be awarded rewards - one of which is the opportunity to take a longer or additional walk, beyond the norm set for each prisoner.
4. We cannot specify the exact amount of time that Mr [de opgeëiste persoon] could spend outside his cell under normal circumstances if he took advantage of all the opportunities to leave his cell that were available to him. Each prisoner is assessed and classified by a penitentiary commission, and that affects their rights and obligations. Furthermore, the schedule of cultural and educational activities is varied, aimed at different groups of prisoners, and is not fixed. If Mr. [de opgeëiste persoon] is convicted and imprisoned in a penitentiary unit, it will be the penitentiary court or penitentiary commission that will specify the periods of time during the day and on specific days of the week when he has the right to leave his place of permanent residence or other designated place for a period not exceeding 12 hours per day, in particular for the purpose of: performing religious practices or using religious services, caring for a minor, an infirm or sick person, education and self-education, and performing one's own creative work, using cultural, educational and sports facilities or activities, maintaining tics with family or other loved ones, and making necessary purchases. Furthermore, it should be noted that remand prisoners who demonstrate outstanding compliance with internal order in the remand centre and the rules set out in the organisational and disciplinary regulations for the execution of remand detention, may be awarded rewards, one of which is permission to participate more frequently in cultural and educational activities, physical culture and sports.”
Op 8 december 2025 hebben de Poolse autoriteiten aanvullende vragen van het IRC als volgt beantwoord:
“The Regional Court in Poznan, 3rd Criminal Division, in response to the letter, informs that after the transfer, the defendant will most likely be placed in the Remand Centre in Poznan, as it is the closest remand centre to the Regional Court in Poznan, where the cases against the defendant are being heard. With regard to the time Mr [de opgeëiste persoon] will be able to spend outside his cell, we confirm the information provided in the letter of 17 November 2025.”
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten gegeven detentiegarantie onvoldoende is om het gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten weg te nemen. Ook moet nadere informatie worden verkregen ten aanzien van de mogelijkheid van contact met een Nederlandse advocaat in verband met de nog lopende strafzaken in Nederland.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten gegeven detentiegarantie onvoldoende is. Hoewel uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering kan beschikken over een persoonlijke celruimte van 3 m2 blijkt niet dat hij twee uur per dag buiten de cel mag verblijven. De officier van justitie heeft daarom verzocht om nadere informatie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in Poznań wordt gedetineerd en dat 3 m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd.
Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld [8] , wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2
in ieder gevalweggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig met betrekking tot de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden – wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen – gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn. Dit soort informatie ontbreekt op dit moment in de onderhavige zaak, waardoor voor de opgeëiste persoon het bedoelde algemene reële gevaar niet kan worden uitgesloten.
Ten aanzien van het contact met de buitenwereld, waaronder ook contact met advocaten in het buitenland, is het de rechtbank inmiddels ambtshalve uit andere Poolse vervolgingszaken bekend dat dit ‘
as soon as possible, without undue delay’kan plaatsvinden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen, zoals door de raadsman is verzocht.
De rechtbank stelt vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het hier echter niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (op 29 januari 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 17 januari 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij ook op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn verlengen met zestig dagen onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

9.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting op 29 januari 2026 of uiterlijk tien dagen daarna.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met
zestig dagen(eindigend op 18 maart 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met
zestig dagen.
BEVEELTde
oproeping van de opgeëiste persoontegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn
raadsman.
BEVEELTde oproeping van een
tolkin de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
7.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311
8.Rb Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.