ECLI:NL:RBAMS:2025:10749

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13-405897-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering van een Europees aanhoudingsbevel met gedeeltelijke weigering

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 24 december 2025 uitspraak gedaan over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De rechtbank heeft de overlevering van de opgeëiste persoon toegestaan voor een vonnis met referentie X K 329/21, maar geweigerd voor een verzamelvonnis met referentie X K 539/23. De opgeëiste persoon, geboren in Polen en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, was bijgestaan door zijn raadsman en een tolk tijdens de zittingen. De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon een adresinstructie had ontvangen tijdens een eerder verhoor, wat betekende dat hij op de hoogte had moeten zijn van de procedure. Voor het verzamelvonnis oordeelde de rechtbank echter dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure en dat hij niet in zijn verdedigingsrechten was geschaad. De rechtbank concludeerde dat de overlevering voor het verzamelvonnis moest worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen bij het proces dat tot dat vonnis had geleid. De rechtbank heeft de overlevering voor het vonnis met referentie X K 329/21 toegestaan, omdat aan de eisen van de Overleveringswet was voldaan en er geen weigeringsgronden waren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-405897-24
Datum uitspraak: 24 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 15 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 december 2024 door de
Regional Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans verblijvende op het adres [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 20 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op 20 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De behandeling van het EAB is aangehouden tot de zitting van 10 december 2025 om antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten op de reeds gestelde vragen ten aanzien van het kunnen uitoefenen van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon en om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aanvullende vraag te stellen in het kader van de toetsing aan artikel 12 OLW.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Zitting van 10 december 2025
De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon nogmaals verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:
een
judgement of the District Court Gdańsk-Court in Gdańsk of 21 September 2021met referentie X K 329/21; en
een
aggregate judgement of the District Court Gdańsk-South in Gdańsk of 3 August 2023met referentie X K 539/23.
Uit het EAB volgt dat aan het verzamelvonnis met referentie X K 539/23 de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
een vonnis van
the District Court in Starogard Gdański of 23 November 2020met referentie II K 876/20; en
een vonnis van
the District Court in Starogard Gdański of 30 December 2020met referentie II K 850/20; en
een vonnis van
the District Court Gdańsk-South in Gdańsk of 16 September 2021met referentie X K 77/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van één jaar voor het vonnis met referentie X K 329/21 en drie jaar voor het vonnis met referentie X K 539/23, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, zowel voor het vonnis met referentie X K 329/21 als het verzamelvonnis met referentie X K 539/23. Ten aanzien van het vonnis met referentie
X K 329/21 moet de overlevering worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon geen gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. De opgeëiste persoon stelt dat hij op enig moment na het verhoor bij de politie een adreswijziging heeft doorgegeven tijdens zijn meldplicht en dat hij geen correspondentie met betrekking tot deze procedure heeft ontvangen op dat gewijzigde adres in Polen. Ten aanzien van het verzamelvonnis met kenmerk X K 539/23 moet de overlevering worden geweigerd, omdat geen sprake is van één van de situaties zoals bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW. Er zijn ook geen redenen om af te zien van deze weigeringsgrond nu uit de aanvullende informatie van 8 december 2025 blijkt dat het verzamelvonnis
ex officiois gewezen, de uitvaardigende justitiële autoriteit aangeeft dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure en de adresinstructie zich niet uitstrekte tot toekomstige procedures, zoals de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Dat met het verzamelvonnis de straf is verminderd, en dat dit in het voordeel van de opgeëiste persoon is, doet daaraan niet af. Mocht de rechtbank de overlevering wel toestaan voor het vonnis met referentie X K 329/21 en tot een weigering komen voor het verzamelvonnis met referentie X K 539/23, dan verzoekt de raadsman de rechtbank een garantie te vragen aan Polen dat zij uitsluitend de straf zullen executeren die is opgelegd bij het vonnis met referentie
X K 329/21.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Ten aanzien van het vonnis met referentie X K 329/21 kan worden afgezien van de weigeringsgrond omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gehad tijdens het verhoor op 12 januari 2021. Uit de aanvullende informatie van
8 december 2025 blijkt bovendien dat alle correspondentie met betrekking tot deze procedure naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres is gegaan en dat hij geen adreswijzigingen heeft doorgegeven. Ten aanzien van het vonnis met referentie X K 539/23 kan ook worden afgezien van de weigeringsgrond, omdat uit de aanvullende informatie van
8 december 2025 blijkt dat dit een administratief vonnis betreft, waarbij vrijwel geen ruimte is voor de opgeëiste persoon om te participeren in de procedure. Daarbij komt dat de opgeëiste persoon strafkorting heeft gehad. Al met al blijkt niet dat de opgeëiste persoon in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Ten aanzien van de drie onderliggende vonnissen kan worden afgezien van weigering, omdat de opgeëiste persoon in alle procedures een adresinstructie heeft gehad en hij geen adreswijzigingen heeft doorgegeven. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de overlevering uitsluitend moet worden geweigerd voor het verzamelvonnis.
Indien de rechtbank de overlevering partieel weigert, dan dient geen extra garantie gevraagd te worden aan Polen, zoals door de raadsman is verzocht. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat Polen zich niet zal houden aan de partiële weigering. Het vragen van een dergelijke garantie verhoudt zich niet met het vertrouwensbeginsel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat aan het EAB het vonnis met referentie X K 329/21 en een verzamelvonnis met referentie X K 539/23, waaraan de drie vonnissen met referenties II K 876/20, II K 850/20 en X K 77/21 onderliggend zijn, ten grondslag liggen.
Ten aanzien van het vonnis met referentie X K 329/21
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 12 januari 2021 is verhoord door de Poolse autoriteiten, waarbij hij een adresinstructie heeft gehad en daarbij is geïnformeerd over de consequentie van het nalaten daarvan en dat een beslissing kan worden genomen in zijn afwezigheid. De Poolse autoriteiten hebben in de aanvullende informatie van 8 december 2025 aangegeven dat de opgeëiste persoon geen adreswijziging heeft doorgegeven. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank er daarom vanuit dat de opgeëiste persoon geen adreswijziging heeft doorgegeven, althans in ieder geval niet bij de juiste instantie. Het had op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om adreswijzigingen tijdig en op de juiste wijze door te geven aan de justitiële autoriteiten. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom aanleiding om af te zien van de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW en de overlevering toe te staan voor executie van dit vonnis.
Ten aanzien van het verzamelvonnis met referentie X K 539/23
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 8 december 2025 blijkt dat het verzamelvonnis
ex officiois gewezen en dus niet op initiatief van de opgeëiste persoon. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie dat de eerder gegeven adresinstructie zich niet uitstrekt tot toekomstige procedures, zoals de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid. De opgeëiste persoon heeft ook geen post ontvangen op het door hem opgegeven adres. Hierdoor kan de rechtbank niet concluderen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verzamelprocedure, noch dat hij daarvan op de hoogte had kunnen of moeten zijn. Evenmin kan daarom geconcludeerd worden dat hij ten aanzien van de verzamelprocedure al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht of kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de officier van justitie dat de opgeëiste persoon niet in zijn verdedigingsrechten is geschonden omdat hij volgens de aanvullende informatie weinig inbreng zou hebben tijdens een zitting in het kader van een verzamelprocedure en bovendien een lagere straf heeft gekregen. Het gaat er immers om dat de rechter bij het opleggen van een verzamelvonnis een zekere mate van beoordelingsruimte had ten aanzien van de maat van de straf en dat de opgeëiste persoon het recht had om daarover gehoord te worden. Derhalve zal de rechtbank de overlevering op grond van artikel 12 OLW voor het verzamelvonnis weigeren. Nu de rechtbank tot een weigering komt voor het verzamelvonnis, behoeven de drie onderliggende vonnissen geen nadere bespreking.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een garantie te vragen, inhoudende dat Polen uitsluitend de straf zal executeren die is opgelegd bij het vonnis met referentie X K 329/21. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank ervanuit dat het specialiteitsbeginsel door Polen zal worden nageleefd.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten het vonnis met referentie X K 329/21 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
verduistering, meermalen gepleegd;
diefstal, meermalen gepleegd.

5.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

6.Slotsom

De rechtbank staat de overlevering toe voor de tenuitvoerlegging van de straf zoals opgelegd bij het vonnis met referentie X K 329/21. De rechtbank stelt vast dat het EAB, ten aanzien van dit vonnis (waarbij een straf is opgelegd van één jaar), voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, dat verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en dat geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering voor dat vonnis toe.
De rechtbank stelt ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis met referentie X K 539/23 vast dat het EAB dient te worden geweigerd. De overlevering wordt niet toegestaan voor de tenuitvoerlegging van de straf van drie jaar zoals bij dat verzamelvonnis is opgelegd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310, 321 en 57 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Regional Court in Gdańsk, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die is opgelegd bij het vonnis met referentie X K 329/21.
WEIGERTde overlevering voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die is opgelegd bij het verzamelvonnis met referentie X K 539/23.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (