ECLI:NL:RBAMS:2025:10755

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13-115022-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering toegestaan ondanks niet-voldoen aan tweede voorwaarde gelijkstelling in Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit voor de overlevering van een Poolse verdachte. Tijdens de procedure werd de opgeëiste persoon bijgestaan door een raadsman en een tolk. De rechtbank verlengde de termijn voor uitspraak en beval gevangenhouding met schorsing tot uitspraak.

In een tussenuitspraak werd reeds geoordeeld over de grondslag van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de toetsing aan relevante artikelen van de Overleveringswet en het Handvest van de EU. De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 6 OLW Pro, met name de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.

De raadsman voerde aan dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een onvolledig en summier advies had uitgebracht, waardoor de inschatting over het verlies van verblijfsrecht onjuist was. Hij verzocht de rechtbank de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en de overlevering afhankelijk te maken van een terugkeergarantie.

De officier van justitie stelde dat niet aan de tweede voorwaarde was voldaan en dat de overlevering niet afhankelijk kon worden gemaakt van een terugkeergarantie. De rechtbank volgde dit standpunt op basis van het IND-advies, dat stelde dat verlies van verblijfsrecht mogelijk is. Daarom werd de overlevering toegestaan zonder terugkeergarantie.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe zonder terugkeergarantie, omdat niet aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-115022-25
Datum uitspraak: 10 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 22 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 november 2019 door de
Regional Court in Wrocław, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 25 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 25 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Kilinç, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 3 december 2025
In de tussenuitspraak van 3 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om een advies van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) op te vragen en bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een terugkeergarantie op te vragen.
Zitting van 10 december 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op de zitting van 10 december 2025 – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Kilinç, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 3 december 2025

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en over de toetsing aan artikel 11 OLW Pro met betrekking tot de Poolse detentieomstandigheden en artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast is deels geoordeeld over artikel 6 OLW Pro, namelijk of aan de eerste voorwaarde tot gelijkstelling is voldaan. Wat de rechtbank over deze onderwerpen heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

4.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De tweede voorwaarde
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat aan de IND een onvolledige en heel summiere voorstelling van de feiten en persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon is voorgelegd waardoor de inschatting over het mogelijke verlies van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon als gevolg van een eventueel in Polen aan hem op te leggen straf of maatregel voor de in het EAB genoemde strafbare feiten, onjuist is. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [4] – de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, ondanks het advies van de IND en de overlevering van de opgeëiste persoon afhankelijk te maken van deze terugkeergarantie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gelijkstellingsverweer niet slaagt zodat de overlevering niet afhankelijk kan worden gemaakt van de terugkeergarantie. Uit het IND-advies blijkt dat verlies van het verblijfsrecht, na een eventuele veroordeling in Polen voor de in het EAB omschreven feiten, in beginsel mogelijk is en daarmee is niet voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 6, eerste lid, OLW. Nu niet aan deze tweede voorwaarde is voldaan, hoeft niet te worden geoordeeld over de terugkeergarantie.
Oordeel van de rechtbank
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van
8 december 2025, die weliswaar op summiere maar naar het oordeel van de rechtbank voldoende informatie voor een advies in dit kader is gebaseerd, volgt dat de IND verblijfsbeëindiging voor de opgeëiste persoon mogelijk acht.
De rechtbank constateert op basis hiervan dat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland zal verliezen. Aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander is dus niet voldaan, zodat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.
De rechtbank kan daarom de overlevering van de opgeëiste persoon niet afhankelijk maken van een terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW.

5.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Regional Court in Wrocław,Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.