In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 2 december 2025 een beslissing genomen over de niet-ontvankelijkheid van een bezwaarschrift dat was ingediend door de bezwaarde, vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis. Het bezwaarschrift was gericht tegen de weigering van de rechter-commissaris om bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. De bezwaarde stelde dat het Openbaar Ministerie geen kennisgeving had gedaan zoals vereist door artikel 238 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank oordeelde echter dat er wel degelijk een kennisgeving was gedaan door het Openbaar Ministerie op 3 maart 2025, en verwees naar een arrest van de Hoge Raad uit 2015 ter ondersteuning van haar oordeel. De rechtbank concludeerde dat de rechter-commissaris niet bevoegd was om op de verzoeken van de verdediging te beslissen, omdat de kennisgeving van het Openbaar Ministerie de procedure had beïnvloed. De rechtbank verklaarde de bezwaarde niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, en benadrukte dat de vroegtijdige kennisgeving door het Openbaar Ministerie mogelijk een impasse in het onderzoek zou kunnen veroorzaken, maar dat dit niet voldoende was om het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren. De beslissing werd genomen in een meervoudige raadkamer, waarbij de bezwaarde niet in persoon aanwezig was.