ECLI:NL:RBAMS:2025:1836

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 maart 2025
Publicatiedatum
20 maart 2025
Zaaknummer
13-283589-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening en schorsing van onderzoek Europees aanhoudingsbevel wegens detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 februari 2025 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een verdachte geboren in 1978 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De verdachte deed afstand van zijn verdedigingsrechten op grond van artikel 12 OLW Pro, waardoor de rechtbank het verzamelvonnis en onderliggende vonnissen niet toetste aan deze weigeringsgrond.

De feiten betreffen illegale handel in verdovende middelen, medeplegen van voorbereidingshandelingen voor drugshandel en een verkeersovertreding. Een feit betreffende niet-betaling van kinderalimentatie werd niet strafbaar geacht naar Nederlands recht, maar de rechtbank zag af van weigering van overlevering omdat het verzamelvonnis één straf omvatte.

De rechtbank constateerde dat er sprake is van structurele gebreken in de Poolse rechtsorde die het recht op een eerlijk proces kunnen schenden, maar dat er geen concreet individueel gevaar was aangetoond voor de verdachte. De zaak werd gelijktijdig behandeld met een ander EAB waarin detentieomstandigheden in Polen centraal staan.

De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen maar voor onbepaalde tijd te schorsen om beide zaken gezamenlijk te kunnen afdoen. De gevangenhouding werd verlengd tot 31 maart 2025, waarna geen wettelijke grondslag meer bestaat. De oproeping van de verdachte en een tolk werd bevolen. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Onderzoek naar het Europees aanhoudingsbevel wordt heropend maar voor onbepaalde tijd geschorst vanwege detentieomstandigheden in Polen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-283589-24 (EAB I)
Datum uitspraak: 13 maart 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 2 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 augustus 2024 door
the Regional Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van
the Regional Court in Gdańskvan 24 april 2023 (met kenmerk IV K 19/23), waaraan de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
  • een vonnis van
  • een vonnis van
  • een vonnis van
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, vier maanden en vier dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 27 februari 2025 na overleg met zijn raadsman expliciet verklaard afstand te doen van zijn recht zich te beroepen op een eventuele schending van zijn verdedigingsrechten zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro. De rechtbank zal het verzamelvonnis en de onderliggende vonnissen daarom niet toetsen aan de facultatieve weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit 1 van onderliggend vonnis 1 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW is vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
4.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feit 2 van onderliggend vonnis 1 levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Het feit van onderliggend vonnis 2 levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Ten aanzien van het feit van onderliggend vonnis 3 overweegt de rechtbank dat dit feit, omschreven in het EAB als het niet betalen van kinderalimentatie, naar Nederlands recht niet strafbaar is nu uit de feitomschrijving niet blijkt dat de opgeëiste persoon daarbij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het in een hulpeloze toestand brengen of laten van zijn kind. [4] Dit betekent dat de rechtbank de overlevering voor dit feit kan weigeren op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, OLW.
De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om van de weigering af te zien, omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft - het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen - en de overlevering toch al toelaatbaar is voor de andere feiten, terwijl in het verzamelvonnis voor alle feiten één vrijheidsstraf is opgelegd.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1.
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
5.2.
Heropening van het onderzoek ter zitting
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met parketnummer 13/022993-25 (EAB II) die bij tussenuitspraak van heden zal worden aangehouden voor onbepaalde tijd in verband met de detentieomstandigheden in het
remand regimein Polen. Die zaak betreft een vervolgings-EAB. De rechtbank wil beide zaken gelijktijdig afdoen en zal daarom deze zaak ook voor onbepaalde tijd aanhouden. Een feitelijke overlevering in deze zaak zou in de weg staan aan een inhoudelijke afdoening van het vervolgings-EAB. De rechtbank laat het belang om op het vervolgings-EAB te kunnen beslissen zwaarder wegen dan het door de opgeëiste persoon aangevoerde belang om zo spoedig mogelijk in Polen zijn straf te kunnen uitzitten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de in Nederland ondergane overleveringsdetentie inzake dit EAB in Polen in mindering dient te worden gebracht op de uit te zitten straf. Het verzoek van de raadsman om deze zaak afzonderlijk af te doen, wijst de rechtbank dus af.
Nu de beslistermijn en derhalve de gevangenhouding in deze zaak eindigt op 31 maart 2025 (waarna de opgeëiste persoon op de gevangenneming inzake EAB II kan worden gedetineerd) verdient het de voorkeur om beide zaken
zo spoedig mogelijkweer gezamenlijk op zitting te plannen.

6.Beslissing

HEROPENThet onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om deze zaak gelijktijdig af te kunnen doen met de zaak met parketnummer 13/022993-25 (EAB II);
STELT VASTdat de wettelijke termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank op het overleveringsverzoek moet beslissen, met ingang van 31 maart 2025 verstrijkt en vanaf dat moment geen wettelijke grondslag meer bestaat voor de gevangenhouding;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en oproeping van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100