De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 juli 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Regional Court in Elbląg, Polen, gericht op de overlevering van een persoon geboren in 1978 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De opgeëiste persoon werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen en een wapengerelateerde strafbaar feit.
De verdediging voerde aan dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon waren geschonden omdat hij niet bij alle zittingen aanwezig was vanwege ziekenhuisopnames en geen advocaat had bij de uitspraak. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het EAB vermeldde dat de opgeëiste persoon in persoon bij het proces was verschenen en de enkele stelling onvoldoende was om af te wijken van de informatie in het EAB.
Verder stelde de verdediging dat de detentieomstandigheden in Polen onvoldoende medische zorg boden en dat de veiligheid van de opgeëiste persoon in gevaar was door detentie in dezelfde gevangenis als een invloedrijke medeveroordeelde. De rechtbank vond geen objectieve en betrouwbare gegevens die een algemeen reëel gevaar voor onmenselijke behandeling of geweld in Poolse detentie aantoonden en verwierp ook dit verweer.
De rechtbank constateerde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig waren. Ook al bestaat er een algemeen reëel gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen, was niet aangetoond dat dit de zaak van de opgeëiste persoon concreet heeft beïnvloed. Daarom werd de overlevering toegestaan.
Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2025.