ECLI:NL:RBAMS:2025:6637

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 augustus 2025
Publicatiedatum
10 september 2025
Zaaknummer
AMS 24/2116
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag WIA-uitkering door UWV en de beoordeling van de rechtbank

In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 19 augustus 2025 uitspraak gedaan over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering door het UWV. Eiser, die als magazijnmedewerker werkte, had zich na een bedrijfsongeval ziek gemeld en ontving een Ziektewet-uitkering. Op 22 maart 2023 vroeg hij een WIA-uitkering aan, maar het UWV besloot op 3 november 2023 dat hij per 28 juni 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Eiser maakte bezwaar, maar het UWV verklaarde dit ongegrond op 27 februari 2024. Eiser ging in beroep bij de rechtbank, die de zaak op 8 juli 2025 behandelde.

De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht had geoordeeld dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de rapporten van de verzekeringsartsen aan de vereisten voldeden. Eiser voerde aan dat zijn beperkingen waren onderschat en dat hij niet in staat was om de geselecteerde functies uit te oefenen. De rechtbank oordeelde echter dat er geen medische redenen waren om aan te nemen dat de functies niet geschikt waren voor eiser. Ook de argumenten over de beheersing van de Nederlandse taal en het ontbreken van een rijbewijs werden verworpen. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen recht had op de WIA-uitkering en geen vergoeding van proceskosten ontving.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2116

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. U. Arslan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] uit [plaats] (de werkgever).

Inleiding

1. Eiser heeft als magazijnmedewerker bij de werkgever gewerkt. Op 30 juni 2021 heeft hij zich na een bedrijfsongeval ziek gemeld, waarna hij een uitkering op grond van de Ziektewet heeft ontvangen. Op 22 maart 2023 heeft eiser een uitkering op grond van de Wet WIA [1] aangevraagd.
2. Op 3 november 2023 heeft het UWV besloten dat eiser vanaf 28 juni 2023 (datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij op deze datum minder dan 35% (namelijk 0,00%) arbeidsongeschikt is geacht. Het UWV heeft aan dit besluit een rapport van een verzekeringsarts (hierna: de eerste verzekeringsarts) van 20 oktober 2023 en een rapport van een arbeidsdeskundige (hierna: de eerste arbeidsdeskundige) van 2 november 2023 ten grondslag gelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De beperkingen van eiser zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (hierna: FML) van 20 oktober 2023.
3. Op 27 februari 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het UWV heeft aan dit besluit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 februari 2024 en de rapportage van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 26 februari 2024 ten grondslag gelegd.
4. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. Y.Y. Boduç, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook aanwezig was M.M. Ajdoubi, tolk in de Syrisch-Arabische taal.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of het UWV eiser per 28 juni 2023 terecht minder dan 35% arbeidsongeschikt heeft geacht. Daartoe moet de rechtbank aan de hand van de argumenten van eiser allereerst toetsen of het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Vervolgens moet de rechtbank toetsen of het UWV de medische beperkingen van eiser juist heeft vastgesteld. Tot slot moet de rechtbank beoordelen of eiser, rekening houdend met de vastgestelde beperkingen, in staat is om de geselecteerde functies te verrichten.
6. Het uitgangspunt is dat het UWV zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. De rechtbank gaat hieronder in op de vraag of de opgestelde medische en arbeidskundige rapporten voldoen aan deze voorwaarden.
Het medisch onderzoek
Is het medisch onderzoek zorgvuldig?
7. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser namelijk ten onrechte niet onderzocht. Eiser heeft daardoor geen uitleg kunnen geven over zijn fysieke gesteldheid en de beperkingen die hij ervaart. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast ten onrechte geen nieuwe medische informatie opgevraagd over de klachten van eiser.
8. Over het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser ten onrechte niet heeft onderzocht, overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraak van 18 januari 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) overwogen dat het antwoord op de vraag of een nieuw fysiek onderzoek in bezwaar noodzakelijk is, onder meer afhankelijk is van de medische situatie van de betrokkene, de in bezwaar aangevoerde gronden en de vraag of sprake is van een gebrek in het onderzoek dat in bezwaar moet worden hersteld. Bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar is het dus niet (altijd) vereist dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep de betrokkene op een spreekuur onderzoekt. Afhankelijk van wat in bezwaar in een concrete situatie speelt, kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep er ook voor kiezen gebruik te maken van een of meer andere onderzoeksmogelijkheden, zoals een dossieronderzoek. [2]
9. De rechtbank stelt vast de eerste verzekeringsarts eiser op een spreekuur heeft gezien. Tijdens dit spreekuur heeft de eerste verzekeringsarts eiser lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft deze verzekeringsarts het dossier bestudeerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat het onderzoek van deze verzekeringsarts gebrekkig is geweest. Dit heeft eiser ook niet gesteld.
10. In het rapport van 15 februari 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat er in het bezwaarschrift en in de aanvullende hoorzitting, verricht door een medewerker bezwaar, geen nieuwe medische feiten naar voren komen. Dit geeft geen aanleiding om verder medisch onderzoek in te stellen door een medisch spreekuur, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom geoordeeld dat er voldoende informatie is om tot een inhoudelijk besluit te komen.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee voldoende gemotiveerd waarom hij eiser niet op een spreekuur heeft gezien. De grond slaagt niet.
12. Over het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen nieuwe medische informatie heeft opgevraagd, overweegt de rechtbank als volgt. Een verzekeringsarts mag in principe op varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen als een behandeling in gang is gezet of in gang gezet zal worden die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. [3]
13. Naar het oordeel van de rechtbank doet geen van deze situaties zich voor. Eiser heeft daarnaast niet concreet benoemd welke informatie (van welke behandelaar) ontbreekt. Ook deze grond slaagt niet.
14. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest.
De beperkingen
15. Eiser voert vervolgens aan dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij kampt nog altijd met de gevolgen van het bedrijfsongeval. Hij kan geen functies vervullen waarvoor fysieke inspanning is vereist. Ook in zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen ervaart eiser klachten. Eiser heeft nog altijd pijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser verschillende medische stukken overgelegd.
16. In het rapport van 7 februari 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de overgelegde medische stukken geen aanleiding geven om de belastbaarheid aan te passen. De medische stukken zijn allemaal van voor de datum in geding van 28 juni 2023 en beschrijven het beloop vanaf de ziekenhuisopname direct na de onderbeenbreuk van scheen- en kuitbeen links tot de laatste controle op 5 mei 2023 door de orthopeed. Het is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk dat er op 28 juni 2023 nog klachten aanwezig waren. In hoeverre eiser daarbij belemmeringen ervoer is niet duidelijk geworden uit de brief van de orthopeed van 5 mei 2023, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er is geen notitie van een lichamelijk onderzoek waaruit eventuele beperkingen kunnen worden afgeleid, hoewel deze gegevens wel zijn uitgevraagd door een verzekeringsarts. Wat betreft de behandeling was er behoudens een injectie geen noodzaak voor aanvullende behandeling. Alles tezamen kan er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd worden dat de ingebrachte medische gegevens van de orthopeed geen andere ernst weergeven van de klachten en belemmeringen die eiser ervaart. Ook wordt er geen ernstiger medisch beeld beschreven dan aangenomen door de eerste verzekeringsarts. Er is in de opgestelde belastbaarheid al rekening gehouden met de restklachten en zodoende restbeperkingen.
17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee voldoende overtuigend gemotiveerd dat hij geen aanleiding heeft gezien om meer beperkingen aan te nemen. De rechtbank betrekt hierbij ook dat de verzekeringsartsen hebben onderkend dat eiser nog pijn heeft, maar dat dit geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. Het tegendeel blijkt niet uit de medische stukken die eiser heeft overgelegd. Ook uit de brief van de orthopeed van 5 mei 2023 volgt niet dat eiser medisch andere of verdergaande beperkingen heeft. De ingediende medische stukken geven dan ook geen aanleiding om aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.
18. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het UWV de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 20 oktober 2023 aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.
Het arbeidskundig onderzoek
19. Eiser voert tot slot aan dat hij de geselecteerde functies door zijn beperkingen niet kan uitoefenen. Daarnaast is eiser de Nederlandse taal onvoldoende machtig en beschikt hij niet over een rijbewijs. Een rijbewijs is echter wel nodig, omdat de functies op afstand liggen en eiser afgelegen woont. Daarnaast is een rijbewijs nodig om de functie lader en losser te kunnen uitoefenen.
20. Uitgaande van de juistheid van de FML van 20 oktober 2023, is de rechtbank van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat de geduide functies in medisch opzicht niet voor eiser geschikt zijn. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de functies de belastbaarheid van eiser overschrijden.
21. Over de beheersing van de Nederlandse taal overweegt de rechtbank als volgt. De mondelinge beheersing van de Nederlandse taal wordt aangemerkt als een bekwaamheid die algemeen gebruikelijk is en binnen zes maanden kan worden verworven. [4] Gelet op zijn opleidingsniveau (eiser heeft in Syrië middelbaar en twee jaar universitair onderwijs gevolgd), mag daarnaast van eiser worden verwacht dat hij de vereiste basale beheersing van de Nederlandse taal binnen een redelijke termijn kan aanleren. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat er medische redenen zijn waarom eiser dit niet binnen een redelijke termijn zou kunnen aanleren. De grond slaagt niet.
22. Voor zover eiser betoogt dat hij een rijbewijs nodig heeft om bij de werkplekken te komen, is de rechtbank van oordeel dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiser is dat hij (al dan niet met het openbaar vervoer) bij de werkplekken komt. Er is geen grond voor de conclusie dat eiser niet met het openbaar vervoer bij de functies kan komen. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet uit de functieomschrijving blijkt dat voor de functie lader en losser een rijbewijs noodzakelijk is. Ook deze gronden slagen niet.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
23. Eiser voert tot slot aan dat het UWV in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld.
24. De rechtbank heeft de zorgvuldigheid van de besluitvorming al beoordeeld in overweging 7 tot en met 13. Ook de stelling dat de weigering eiser een WIA-uitkering toe te kennen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, slaagt niet. Gelet op het verplichtende karakter van artikel 5 van de Wet WIA bestaat in principe geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Bovendien heeft eiser zijn stelling niet onderbouwd. [5] De gronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99, meer recentelijk herhaald in de uitspraak van de Raad van 9 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:575.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:693.
4.Zie artikel 9, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:468.