Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:6985

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
AMS 25/4991
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J.M. Kruizinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen woningsluiting na vondst handelshoeveelheid drugs

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Amsterdam om een woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, na de vondst van een handelshoeveelheid drugs in de woning.

De burgemeester stelde vast dat de woning onbewoond was ten tijde van de doorzoeking en dat er meer dan 8 kilo hasj, 640 gram cocaïne, MDMA-pillen en andere drugs en verpakkingsmateriaal werden aangetroffen. Dit leidde tot het besluit tot sluiting om de openbare orde te beschermen.

Verzoeker stelde dat de woning wel bewoond was, dat hij de woning tijdelijk had onderverhuurd en dat er geen sprake was van handel of overlast. De voorzieningenrechter oordeelde dat de woning feitelijk onbewoond was bij de doorzoeking en dat de burgemeester op grond van het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs en de omstandigheden de sluiting noodzakelijk en evenwichtig mocht achten.

De belangenafweging woog het belang van de openbare orde zwaarder dan het individuele belang van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en sluit hoger beroep uit.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4991

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 september 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. S.J.M. Jaasma),
en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder (hierna: de burgemeester)

(gemachtigden: mr. M. Utlu en [gemachtigde]).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De burgemeester heeft de woning mogen sluiten en daarbij de belangen van de sluiting zwaarder mogen wegen dan de belangen van verzoeker. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Met het bestreden besluit van 1 september 2025 heeft de burgemeester de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] voor de duur van drie maanden gesloten
.De burgemeester is hier op grond van artikel 13b Opiumwet toe overgegaan na het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in de (onbewoonde) woning.
2.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester.

Totstandkoming van het besluit

3.1.
Verzoeker is de huurder en hoofdbewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats].
3.2.
Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 12 augustus 2025 volgt dat het onderzoeksteam een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen Amsterdam heeft ontvangen. Daarin worden twee personen genoemd die zich bezig zouden houden met drugshandel. Hierop is een onderzoek gestart, waarbij onder andere de telefoons van deze twee personen zijn getapt. Hieruit bleek van handel in verdovende middelen. Onderzoek naar de bankrekeningen van de twee personen wees op meerdere verdachte transacties, waaronder twee betalingen van in totaal 4.000 euro aan de bewoner van de [adres] in [woonplaats]. Dit adres kwam eerder voor op een in beslag genomen telefoon van een van de twee verdachten. Ook stond de code van de lift in de telefoon. Uit aanvullend onderzoek, waaronder camerabeelden en observatie van een voertuig dat in gebruik was bij de verdachten, bleek dat de twee personen regelmatig het complex aan de Gustav Mahlerlaan betraden en verlieten, veelal met tassen die in het pand worden geleegd of gevuld. Op beelden van 23 juli 2025 is te zien dat twee personen gezamenlijk een zware reistas het appartementencomplex intillen om dit vervolgens zonder tas weer te verlaten. Het voertuig van de verdachten heeft zich meerdere keren bij het complex bevonden. Deze aanwijzingen leidden tot het vermoeden dat de woning aan de [adres] werd gebruikt als opslagplaats voor verdovende middelen, waarna op 30 juli 2025 een doorzoeking heeft plaatsgevonden.
3.3.
In de woning heeft de politie het volgende aangetroffen:
  • meer dan 8,3 kilo hasj;
  • meer dan 640 gram cocaïne;
  • ongeveer 15 pillen, vermoedelijk MDMA;
  • meerdere zakjes met poeder en/of kristallen, voorzien van stikkers "3M" en "K" (Ketamine);
  • verpakkingsmaterialen zoals kleine gripzakjes, vacuümzakken, ponypacks;
  • 54 lege verpakkingen, vermoedelijk eerder gebruikt voor circa 400 gram hasj per stuk, gebaseerd op vergelijkbare nog gesloten verpakkingen waarin daadwerkelijk hasj werd aangetroffen;
  • drie lege verpakkingen testten positief op cocaïne en zijn vergeleken met twee blokken, die eveneens positief testten; op basis hiervan vermoedt de politie dat elke verpakking circa 1 kilo bevatte.
Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de geschatte straatwaarde van de aangetroffen hoeveelheid drugs voor doorverkoop in totaal € 82.809,80 bedraagt. De politie vermoedt dat de woning uitsluitend is gebruikt om drugs te “stashen” en niet om te verblijven. Er is geen fornuis aangetroffen in de keuken, de koelkasten waren niet aangesloten en er waren geen levensmiddelen en verzorgingsmiddelen aanwezig. Ook was er geen kledingkast, kleding en beddengoed aanwezig.
3.4.
Verweerder is uiteindelijk op 1 september 2025 overgegaan tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en de Beleidsregels [1] . Ondanks de zienswijze van de huurder bestaat er een ernstig risico voor de openbare orde wanneer de woning openblijft. De burgemeester acht de sluiting noodzakelijk en evenwichtig. Het belang van de openbare orde weegt zwaarder dan het individuele belang van de huurder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het belang dat wordt gediend door de onmiddellijke uitvoering van het besluit.
5.1.
Het toetsingskader voor woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet is weergegeven in meerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] . In een recente uitspraak van de Afdeling [3] wordt daarbij nog benadrukt dat, gelet op de forse inbreuk die een woningsluiting kan maken op de grondrechten van de bewoners, de toetsing bij woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet doorgaans indringend is. https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@152259/202206525-1-a3/
5.2.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van de woning rechtmatig acht.
Bevoegdheid en geschiktheid
6.1.
De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt [4] dat als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs, of vijf (hennep)planten (het criterium van het openbaar ministerie voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Uit de Beleidsregels volgt dat in het geval van hennepproducten van een handelshoeveelheid wordt gesproken bij een hoeveelheid van 30 gram of meer en in het geval van harddrugs bij een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram of 5 pillen.
6.2.
Als de burgermeester bevoegd is om een woning te sluiten, dient hij zich ervan te vergewissen dat de sluiting redelijkerwijs zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Zo kan het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, ertoe leiden dat sluiting van een woning redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van deze doelen waardoor de sluiting ongeschikt is.
6.3.
Niet in geschil is dat er in de woning van verzoeker een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, zodat de burgemeester in beginsel bevoegd is de woning te sluiten. Ook de geschiktheid van de sluiting is tussen partijen niet in geschil. De vraag is of de burgemeester de sluiting noodzakelijk en evenredig heeft kunnen achten.
Noodzaak
7.1.
Als de burgemeester bevoegd is om een woning te sluiten en dit ook een geschikt middel is, is de volgende vraag of het noodzakelijk is om de woning te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. [5] Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. [6]
7.2.
Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat er geen noodzaak was om de woning te sluiten. Verzoeker had de woning tijdelijk onderverhuurd. Er was ook geen sprake van een onbewoonde woning. De woning werd wel degelijk bewoond, zoals ook volgt uit de door hem overgelegde foto’s. Verzoeker wil nu zelf weer terug naar zijn woning. Verder is er geen handel vastgesteld vanuit de woning of was er geen sprake van enige overlast. Gelet daarop had de burgemeester na de constatering, overeenkomstig de beleidsregels die voorschrijven dat bij een bewoonde woning wordt volstaan met een waarschuwing, niet moeten overgaan tot sluiting van de woning.
7.3.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Aan de hand van de bestuurlijke rapportage en de foto’s die de politie heeft gemaakt kan worden vastgesteld dat er op het moment van de doorzoeking geen sprake was van een bewoonde woning. Zoals beschreven zijn er geen levensmiddelen, kleren of beddengoed aangetroffen. Verder bevonden zich in de (niet aangesloten) koelkasten enkel verdovende middelen. De burgemeester heeft op basis van die constatering het beleid kunnen toepassen dat ziet op het aantreffen van (hard)drugs in onbewoonde woningen. In beginsel volgt dan een sluiting. De foto’s die verzoeker heeft ingebracht geven inderdaad een meer bewoonde indruk, maar deze zijn van voor de doorzoeking. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij deze foto’s heeft gemaakt vlak nadat hij zijn woning had ingericht, in 2024. Dat zegt echter niets over de staat van bewoning op het moment van doorzoeking. Daar komt nog bij dat, ook al zou sprake zijn geweest van een bewoonde woning op het moment van doorzoeking, er ook dan tot sluiting had kunnen worden overgegaan gelet op de verzwarende omstandigheden [7] . De woning is in beeld gekomen na politieonderzoek naar drugshandel. Er is gezien dat er met tassen in en uit de woning is gelopen. Vervolgens is er een forse hoeveelheid drugs aangetroffen die de ondergrens van een handelshoeveelheid ruimschoots overschrijdt en is er (gebruikt) verpakkingsmateriaal aangetroffen. Verder was er een loop met tassen van en uit de woning en bestaat het vermoeden dat er veel meer drugs heeft gelegen. Onder die omstandigheden kan het noodzakelijk zijn voor de burgemeester om ook een bewoonde woning te sluiten. De voorzieningenrechter is al met al van oordeel dat de burgemeester niet met een waarschuwing had hoeven volstaan.
Evenwichtig
8.1.
Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk is, komt vervolgens de vraag aan de orde of de sluiting ook evenwichtig is. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval de bescherming of het herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving, en de te respecteren grondrechten van verzoeker. Of de sluiting evenwichtig is, hangt af van verschillende omstandigheden. De duur van de sluiting moet evenwichtig zijn, ook als verweerder daarin zijn eigen beleid heeft gevolgd. Of de sluiting evenwichtig is hangt ook af van de (mate van) verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, of er een bijzondere binding met de woning is en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de omstandigheden die maken dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. [8]
8.2.
Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat hij topsporter is en werkt als onderwijsassistent. Hij heeft geen strafblad en heeft niets te maken met drugshandel. Verzoeker heeft de woning tijdelijk onderverhuurd. Zelf is hij een paar maanden niet in de woning geweest. Hij was onder meer bij zijn zieke moeder in Marokko. Met het geld dat hij met de onderhuur uitspaarde kon hij schulden aflossen. Verzoeker heeft nu geen vaste verblijfplek meer en zijn huurcontract zal ook worden ontbonden. Ook gelet op deze gevolgen had de burgemeester moeten volstaan met een waarschuwing, aldus verzoeker.
8.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat – ondanks hetgeen is aangevoerd door verzoeker – de sluiting van de woning niet onevenwichtig is. De voorzieningenrechter heeft oog voor de belangen van verzoeker om zijn woning weer te kunnen betrekken en daar te kunnen blijven wonen. Daar tegenover staat het algemene belang bij het herstel en behoud van de openbare orde, dat de burgemeester voorstaat. Door de sluiting wordt de woning uit het criminele milieu onttrokken. Hiermee kunnen potentiële, openbare orde verstorende situaties, zoals bijvoorbeeld ripdeals of inbraken, worden voorkomen. Dit belang heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder mogen wegen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat verzoeker als hoofdbewoner zijn woning – naar eigen zeggen – “via via”, tegen contante betaling aan iemand ter beschikking heeft gesteld die hij zelf verder niet kent, zonder daarbij een huurcontract op te stellen. Hoewel niet blijkt van daadwerkelijke directe betrokkenheid bij de drugshandel mag van degene die een woning verhuurt worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. [9]

Conclusie en gevolgen

9. De slotsom is dat de burgemeester gelet op al het voorgaande in redelijkheid van haar bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het sluitingsbevel van
1 september 2025 op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.M. Kruizinga, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2025.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam).
2.Uitspraken van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910
3.Uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
6.Zie overweging 10.2 van de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922
7.Zie 2.3 van de Beleidsregels.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912