ECLI:NL:RBAMS:2025:7066
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van Opiumwet
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Amsterdam om een woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden. De sluiting volgde op een politieonderzoek waarbij een handelshoeveelheid drugs werd aangetroffen in de woning.
Verzoeker, huurder en hoofdbewoner van de woning, betwistte de noodzaak en evenwichtigheid van de sluiting en stelde dat er geen sprake was van handel vanuit de woning en dat een waarschuwing had volstaan. Ook voerde hij aan dat de sluiting onevenwichtig was vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en het risico op verlies van zijn woning.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs en de systematische verpakking daarvan voldoende grond is om aan te nemen dat de woning een rol speelt in de drugshandel, waardoor de openbare orde in het geding is. De sluiting is noodzakelijk en evenwichtig, ondanks de persoonlijke gevolgen voor verzoeker, omdat het algemeen belang bij bescherming van de openbare orde zwaarder weegt.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, waardoor de woningsluiting niet wordt opgeschort. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen en de sluiting blijft van kracht.