3.1Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, omdat ten aanzien van het verzamelvonnis niet ondubbelzinnig is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat, gelet op de overgelegde vertaling van het verzamelvonnis, de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten om zo duidelijkheid te krijgen over de precieze vonnissen die zijn meegenomen in het verzamelvonnis.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank– op het standpunt dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het verzamelvonnis is de weigeringsgrond van artikel 12 van toepassing, maar kan worden afgezien van weigeren. De opgeëiste persoon wist namelijk dat er een procedure liep via de reclasseringsambtenaar en heeft ten behoeve van die procedure een advocaat gemachtigd. Verder blijkt dat de oproepen voor de betreffende zitting zijn verstuurd naar twee adressen die van de opgeëiste persoon bekend waren.
Ten aanzien van het onderliggende vonnis met referentie III K 174/20 geldt dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. Het vonnis is namelijk op 10 juni 2020 aan de opgeëiste persoon betekend. Bij dit vonnis zaten ook instructies over de wijze waarop hoger beroep kon worden ingesteld. De opgeëiste persoon heeft dit heeft nagelaten.
Voor het onderliggende vonnis met referentie II K 766/20 geldt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de zitting waardoor artikel 12 OLW niet van toepassing is.
Ten aanzien van het onderliggende vonnis II K 189/22 is de weigeringsgrond van artikel
12 OLW van toepassing, maar kan worden afgezien van weigeren. Hiervoor kan worden aangesloten bij de tussenuitspraak van 22 januari 2025.
Oordeel van de rechtbank
Zoals onder 3 is vastgesteld, betreft het EAB een verzamelvonnis met drie onderliggende vonnissen. Zowel de procedures die tot de onderliggende vonnissen hebben geleid als de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, vallen onder de reikwijdte van artikel
12 OLW.
Verzamelvonnis met referentie II K 1264/23
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis van 4 december 2024, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren om de volgende redenen.
Uit de aanvullende informatie van 27 juni en 29 september 2025 blijkt het volgende. Het verzamelvonnis is
ex officiogewezen. Een reclasseringsambtenaar is op verzoek van de Poolse rechtbank op 21 februari 2024 een onderzoek gestart naar het adres van de opgeëiste persoon. Die ambtenaar heeft op 22 en 26 februari 2024 contact gehad met de opgeëiste persoon en hem geïnformeerd over de procedure. Uit het onderzoek van deze ambtenaar zijn twee adressen naar voren gekomen. Op het ene adres stond de opgeëiste persoon ingeschreven, maar daar woonde hij niet. Op het tweede adres woonde de opgeëiste persoon wel, zo verklaarde hij tegenover de ambtenaar. De oproepingen voor de zittingen zijn naar deze beide adressen verstuurd. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij de oproepingen niet heeft ontvangen, omdat hij in Nederland was.
De rechtbank stelt op grond van bovenstaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al dan niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Vonnis met referentie III K 174/20
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 29 september 2025 blijkt dat het vonnis op 10 juni 2020 aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend en de opgeëiste persoon daarbij in een “
guidance note” uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op hoger beroep en het tijdbestek waarbinnen dit moest worden ingesteld. De opgeëiste persoon heeft geen hoger beroep ingesteld binnen het voorgeschreven tijdsbestek. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Vonnis met referentie II K 766/20
Uit de aanvullende informatie van 29 september en 6 oktober 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de zitting van 9 december 2020 die tot dit vonnis heeft geleid. Daarom is artikel 12 OLW niet van toepassing.
Vonnis met referentie II K 189/22
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De Poolse autoriteiten hebben op 25 april 2024 een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde vrijheidsstraf. Dit Europees aanhoudingsbevel is op de zitting van 8 januari 2025 behandeld door deze rechtbank, waarna op 22 januari 2025 een tussenuitspraak is gewezen.In die tussenuitspraak is geoordeeld dat het toestaan van de overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde vrijheidsstraf geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
De rechtbank is niet op de hoogte van nieuwe informatie die dit oordeel anders zou kunnen maken. De rechtbank overweegt daarom, overeenkomstig de genoemde tussenuitspraak, dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat.
Conclusie
Uit wat hiervoor is overwogen ten aanzien van het verzamelvonnis en de drie onderliggende vonnissen volgt dat het toestaan van de overlevering geen schending oplevert van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Artikel 12 OLW staat dus niet aan overlevering in de weg. De rechtbank ziet – anders dan de raadsvrouw – dan ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover.