ECLI:NL:RBAMS:2025:8225

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
13-176351-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot verzamelvonnis en onderliggende vonnissen

Op 30 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Regional Court in Kielce, Polen. Het EAB was gericht op de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon, die in Polen was veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en tien maanden. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 16 oktober 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.C.M. van Dijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en dat er geen schending van zijn verdedigingsrechten was. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, ondanks de aanvankelijke bezwaren van de raadsvrouw, die stelde dat de overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen bij het proces dat leidde tot het verzamelvonnis, maar dat er voldoende informatie was om te concluderen dat hij op de hoogte was van de procedure. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de feiten waarvoor de overlevering werd verzocht, voldoen aan de eisen van dubbele strafbaarheid. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, waarbij zij heeft vastgesteld dat er geen weigeringsgronden van toepassing waren en dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-176351-25
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 22 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 mei 2025 door de
Regional Court in Kielce,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.C.M. van Dijk, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist
zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van
the Local Court in Kielcevan 4 december 2024 met referentie II K 1264/23 (hierna: verzamelvonnis).
In het EAB is opgenomen dat aan het verzamelvonnis de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
een vonnis van
the Local Court for Warszawa-Mokotów in Warszawavan 11 mei 2020 met referentie III K 174/20;
een vonnis van
the Local Court [in Radomvan 9 december 2020 met referentie II K 766/20;
een vonnis van
the Local Court in Kielcevan 2 december 2022 met referentie II K 189/22
.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, drie maanden en veertien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, omdat ten aanzien van het verzamelvonnis niet ondubbelzinnig is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat, gelet op de overgelegde vertaling van het verzamelvonnis, de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten om zo duidelijkheid te krijgen over de precieze vonnissen die zijn meegenomen in het verzamelvonnis.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [4] – op het standpunt dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het verzamelvonnis is de weigeringsgrond van artikel 12 van toepassing, maar kan worden afgezien van weigeren. De opgeëiste persoon wist namelijk dat er een procedure liep via de reclasseringsambtenaar en heeft ten behoeve van die procedure een advocaat gemachtigd. Verder blijkt dat de oproepen voor de betreffende zitting zijn verstuurd naar twee adressen die van de opgeëiste persoon bekend waren.
Ten aanzien van het onderliggende vonnis met referentie III K 174/20 geldt dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. Het vonnis is namelijk op 10 juni 2020 aan de opgeëiste persoon betekend. Bij dit vonnis zaten ook instructies over de wijze waarop hoger beroep kon worden ingesteld. De opgeëiste persoon heeft dit heeft nagelaten.
Voor het onderliggende vonnis met referentie II K 766/20 geldt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de zitting waardoor artikel 12 OLW niet van toepassing is.
Ten aanzien van het onderliggende vonnis II K 189/22 is de weigeringsgrond van artikel
12 OLW van toepassing, maar kan worden afgezien van weigeren. Hiervoor kan worden aangesloten bij de tussenuitspraak van 22 januari 2025. [5]
Oordeel van de rechtbank
Zoals onder 3 is vastgesteld, betreft het EAB een verzamelvonnis met drie onderliggende vonnissen. Zowel de procedures die tot de onderliggende vonnissen hebben geleid als de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, vallen onder de reikwijdte van artikel
12 OLW.
Verzamelvonnis met referentie II K 1264/23
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis van 4 december 2024, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren om de volgende redenen.
Uit de aanvullende informatie van 27 juni en 29 september 2025 blijkt het volgende. Het verzamelvonnis is
ex officiogewezen. Een reclasseringsambtenaar is op verzoek van de Poolse rechtbank op 21 februari 2024 een onderzoek gestart naar het adres van de opgeëiste persoon. Die ambtenaar heeft op 22 en 26 februari 2024 contact gehad met de opgeëiste persoon en hem geïnformeerd over de procedure. Uit het onderzoek van deze ambtenaar zijn twee adressen naar voren gekomen. Op het ene adres stond de opgeëiste persoon ingeschreven, maar daar woonde hij niet. Op het tweede adres woonde de opgeëiste persoon wel, zo verklaarde hij tegenover de ambtenaar. De oproepingen voor de zittingen zijn naar deze beide adressen verstuurd. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij de oproepingen niet heeft ontvangen, omdat hij in Nederland was.
De rechtbank stelt op grond van bovenstaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al dan niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Vonnis met referentie III K 174/20
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 29 september 2025 blijkt dat het vonnis op 10 juni 2020 aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend en de opgeëiste persoon daarbij in een “
guidance note” uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op hoger beroep en het tijdbestek waarbinnen dit moest worden ingesteld. De opgeëiste persoon heeft geen hoger beroep ingesteld binnen het voorgeschreven tijdsbestek. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Vonnis met referentie II K 766/20
Uit de aanvullende informatie van 29 september en 6 oktober 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de zitting van 9 december 2020 die tot dit vonnis heeft geleid. Daarom is artikel 12 OLW niet van toepassing.
Vonnis met referentie II K 189/22
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De Poolse autoriteiten hebben op 25 april 2024 een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde vrijheidsstraf. Dit Europees aanhoudingsbevel is op de zitting van 8 januari 2025 behandeld door deze rechtbank, waarna op 22 januari 2025 een tussenuitspraak is gewezen. [6] In die tussenuitspraak is geoordeeld dat het toestaan van de overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde vrijheidsstraf geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
De rechtbank is niet op de hoogte van nieuwe informatie die dit oordeel anders zou kunnen maken. De rechtbank overweegt daarom, overeenkomstig de genoemde tussenuitspraak, dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat.
Conclusie
Uit wat hiervoor is overwogen ten aanzien van het verzamelvonnis en de drie onderliggende vonnissen volgt dat het toestaan van de overlevering geen schending oplevert van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Artikel 12 OLW staat dus niet aan overlevering in de weg. De rechtbank ziet – anders dan de raadsvrouw – dan ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
overtreding van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
oplichting;
medeplegen van oplichting.

5.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandelingen van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]

6.Aanhoudingsverzoeken

De raadsvrouw verzoekt de behandeling van het EAB aan te houden, omdat een Poolse advocaat namens de opgeëiste persoon in Polen heeft verzocht om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf uit te stellen tot nadat de moeder van zijn minderjarige kinderen haar gevangenisstraf heeft uitgezeten. Mocht dit verzoek namelijk worden toegewezen, zou dit ertoe kunnen leiden dat het EAB wordt ingetrokken.
Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling van het EAB in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie ) op de prejudiciële vragen die zijn voorgelegd door deze rechtbank bij uitspraak van 31 januari 2025. [9] Het gaat er daarbij om of – in het licht van de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) – de overlevering kan worden toegestaan gelet op gevolgen daarvan voor het minderjarige kind van de opgeëiste persoon, die kampt met ernstige gezondheidsproblemen. Ook hier is sprake van een opgeëiste persoon met minderjarige kinderen, waarvan één kampt met ernstige gezondheidsproblemen. Reden waarom het van belang is de antwoorden op de prejudiciële vragen af te wachten voordat een beslissing wordt genomen op het overleveringsverzoek ten aanzien van de opgeëiste persoon, aldus de raadsvrouw.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen inwilliging van de aanhoudingsverzoeken. Wat betreft het verzoek om uitstel van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voert zij aan dat het vooralsnog onduidelijk is of dit verzoek zal worden ingewilligd, terwijl er vooralsnog sprake is van een EAB waaraan een voor ten uitvoerlegging vatbaar vonnis ten grondslag ligt.
Wat betreft het verzoek om de zaak aan te houden vanwege de lopende prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie , heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden geen aanleiding zijn om de overlevering niet toe te staan nu – zoals ook meermaals door deze rechtbank is geoordeeld – de overleveringsprocedure een gerechtvaardigde inbreuk oplevert van het recht op
family lifezoals neergelegd in artikel 7 van het Handvest. Dit kan mogelijk anders zijn onder zeer uitzonderlijke omstandigheden, maar van dergelijke omstandigheden is niet gebleken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek af om aanhouding van de behandeling van het EAB in afwachting van de uitkomst van de procedure in Polen. Ter beoordeling ligt voor of er een reële verwachting bestaat, gelet op wat de opgeëiste persoon heeft aangevoerd, dat het in Polen ingediende verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf, tot intrekking van het EAB zal leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat dit het geval zal zijn.
De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding om de behandeling van het EAB aan te houden om de antwoorden op de prejudiciële vragen af te wachten, omdat de betreffende vragen in hun geheel niet van toepassing zijn op de onderhavige zaak, althans is daarvan niet gebleken.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 311 en 326 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 9, 160 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Kielce ,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rechtbank Amsterdam 19 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5267, Rechtbank Amsterdam 24 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2025:8205 en Rechtbank Amsterdam 22 januari 2025. ECLI:NL:RBAMS:2025:462.
6.Rechtbank Amsterdam 22 januari 2025. ECLI:NL:RBAMS:2025:462.
7.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
8.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
9.Rechtbank Amsterdam 31 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:626.