ECLI:NL:RBAMS:2025:8565

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
10618049 \ CV EXPL 23-9995
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepasselijkheid van algemene voorwaarden en oneerlijke bedingen in een civiele procedure

In deze civiele procedure, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, is de eisende partij, Aderans Benelux B.V., een besloten vennootschap gevestigd te Capelle aan den IJssel, in een bodemzaak opgekomen tegen een gedaagde partij die niet is verschenen. De zaak betreft de toepassing van algemene voorwaarden op een overeenkomst, waarbij de eisende partij stelt dat deze voorwaarden van toepassing zijn, ondanks de bewering van de gedaagde in de dagvaarding dat dit niet het geval zou zijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat de algemene voorwaarden wel degelijk van toepassing zijn, maar dat er sprake is van meerdere oneerlijke bedingen, zoals rente- en incassokosten, die niet kunnen worden opgeëist. De eisende partij heeft in een tussenvonnis de gelegenheid gekregen om zich nader uit te laten over de informatieplichten en de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de eisende partij niet voldoende heeft aangetoond dat zij aan haar informatieplichten heeft voldaan, wat kan leiden tot afwijzing van de vordering. Uiteindelijk heeft de rechtbank enkel de hoofdsom van € 2.607,50 toegewezen en alle nevenvorderingen, waaronder rente en proceskosten, afgewezen. Dit vonnis is uitgesproken door mr. C.W. Inden op 21 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10618049 \ CV EXPL 23-9995
Vonnis van 21 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ADERANS BENELUX B.V.,
gevestigd te Capelle aan den IJssel,
eisende partij,
gemachtigde: Smaal Finance Incasso BV,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 juli 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over:
  • de informatieplichten,
  • de toepasselijkheid van algemene voorwaarden,
  • het voornemen tot vernietiging van de aangehaalde bedingen in de algemene voorwaarden.
2.2.
Eisende partij heeft bij akte laten weten, kort gezegd, dat zij meerdere verkoopruimtes in meerdere ziekenhuizen heeft. Dat zijn verkoopruimtes waar zij op permanente basis haar handelsactiviteiten verricht.
2.3.
Gelet op de nadere toelichting wordt geoordeeld dat in dit geval de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn. Ondanks dat eisende partij, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gemotiveerd heeft gesteld op welke wijze zij aan deze (van toepassing zijnde) informatieplichten heeft voldaan, heeft zij te kennen gegeven dat haar niet is gebleken dat bij gedaagde partij onduidelijkheid heeft bestaan over het door haar gekochte product of de prijs die daarvoor moest worden bepaald. Nu het bovendien een winkelruimte betreft, wordt het ervoor gehouden dat eisende partij aan haar informatieplichten heeft voldaan. Dat neemt niet weg dat eisende partij in het vervolg gemotiveerd zal moeten stellen op welke wijze zij heeft voldaan aan de van toepassing zijnde informatieplichten, bij gebreke waarvan zij het risico loopt dat de vordering wordt afgewezen vanwege het niet volledig voldoen aan de stelplicht. De Hoge Raad heeft immers bepaald dat de naleving van essentiële informatieplichten ambtshalve moet worden getoetst en dat een sanctie moet volgen als essentiële informatie niet is verstrekt (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.4.
Eisende partij heeft verder laten weten dat abusievelijk in de dagvaarding is vermeld dat op de overeenkomst geen algemene voorwaarden van toepassing zijn. Dat is wel het geval. Dat zijn alleen niet de algemene voorwaarden die de kantonrechter heeft geraadpleegd, maar de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op overeenkomsten met consumenten. Deze algemene voorwaarden heeft eisende partij in het geding gebracht, waarbij zij opmerkt dat deze gebruikelijk zijn in de branche en daarin volgens haar geen oneerlijke bedingen staan.
2.5.
Uit de algemene voorwaarden van eisende partij, waaruit enkele bedingen zijn geciteerd in het tussenvonnis, blijkt niet dat deze enkel zien op activiteiten van de groothandel en niet van toepassing zijn op overeenkomsten met consumenten, ook gelet op het aangehaalde beding over de toepasselijkheid. Uit de algemene voorwaarden waarvan eisende partij stelt dat deze wél van toepassing zijn volgt dat deze van toepassing zijn op haarbehandelingen, terwijl gesteld noch gebleken is dat gedaagde partij een haarbehandeling heeft ondergaan. Uit de onderliggende factuur blijkt dat in ieder geval niet, althans niet voldoende concreet.
2.6.
Wat daar verder ook van zij, geconstateerd wordt dat in de algemene voorwaarden waarvan eisende partij stelt dat deze van toepassing zijn (ook) bedingen staan over rente, buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten die aan de vordering ten grondslag kunnen worden gelegd. Deze bedingen zijn vergelijkbaar met de geciteerde bedingen in het tussenvonnis. Bedongen is dat de klant bij niet tijdige betaling 1% rente per maand verschuldigd is (artikel 7 lid 4) en de klant de volledige gerechtelijke en buitengerechtelijke incassokosten (artikel 7 lid 5) moet betalen, waarbij de buitengerechtelijke incassokosten minimaal worden gesteld op 15% van het verschuldigde, met een minimum van € 50,00 (artikel 7 lid 6). Voor al deze bedingen gelden dezelfde overwegingen als in het tussenvonnis (overwegingen 2.10 t/m 2.13), met ook dezelfde uitkomst, namelijk dat deze als oneerlijk zijn aan te merken. Nu eisende partij zich hierover al heeft uitgelaten, krijgt zij deze gelegenheid niet nogmaals.
2.7.
Gevolg van de oneerlijke bedingen is dat eisende partij geen aanspraak kan maken op de wettelijke regelingen die van toepassing zouden zijn als de bedingen niet in de algemene voorwaarden zouden staan. In dit verband wordt verwezen naar overweging 2.7 van het tussenvonnis.
2.8.
Dat betekent dat uitsluitend de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen. Alle nevenvorderingen, dus de gevorderde rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, worden afgewezen.
2.9.
De kantonrechter merkt ten aanzien van de proceskosten nog op dat ondanks dat de Hoge Raad de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:NL:HR:2025:820), de proceskosten zullen worden afgewezen, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van € 2.607,50 aan hoofdsom,
3.2.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af, waaronder de gevorderde proceskostenveroordeling ten laste van gedaagde partij.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.
991