ECLI:NL:RBAMS:2025:8971

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
13-312722-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden in Polen

Op 20 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1995 in Polen, die momenteel gedetineerd is in Nederland. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 6 november 2025 behandeld, waarbij de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon aanwezig waren. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd met dertig dagen en de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het recht op een eerlijk proces in Polen, maar dat er onvoldoende bewijs is geleverd dat dit gevaar ook voor de opgeëiste persoon geldt. De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering aangehouden en een redelijke termijn van dertig dagen gesteld voor het verkrijgen van aanvullende informatie over de detentieomstandigheden in Polen. De zaak zal opnieuw worden behandeld op 19 december 2025 of uiterlijk tien dagen daarna.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-312722-24
Datum uitspraak: 20 november 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 19 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 augustus 2024 door de
Sąd Okregowy w Przemyślu [Regional Court in Przemyśl], Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt
an enforceable decision on pre-trial detention: District Court in Jarosław of 1 October 2019,met referentie
II KP 424/19.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
mishandeling;
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW

Gelijkstelling
Verzoek van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Daartoe zijn de op 4 november 2025 ingediende stukken relevant. Als de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld, dan zou een terugkeergarantie kunnen worden opgevraagd. In geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, kan de opgeëiste persoon die straf dan vervolgens in Nederland ondergaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon niet gelijk dient te worden gesteld met een Nederlander. Door de opgeëiste persoon is onvoldoende onderbouwd dat hij vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; en
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Volgens zijn SKDB heeft de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar slechts een korte periode in Nederland ingeschreven gestaan. Door de raadsman zijn een aantal jaaropgaven en loonspecificaties overgelegd, maar uit de jaaropgaven van 2019 en 2022 blijkt een adres van de opgeëiste persoon in Polen. Bovendien heeft hij in 2019 een gering inkomen gehad. Daarmee is niet voldaan aan de eis van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf.
Daardoor komt de rechtbank niet meer toe aan de bespreking van het tweede vereiste. De rechtbank verwerpt het beroep op gelijkstelling met een Nederlander
.

6.Artikel 11 OLW

6.1
Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.2
Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank heeft eerder geoordeeld [6] dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit nadere onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) op 29 september 2025 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:

With reference to the European Arrest Warrant II Kop 28/24 issued on 23-08-2024 concerning [de opgeëiste persoon] born on [geboortedag] -1995 in [geboorteplaats] (Poland), I would like to request for additional information.
On 05.06.2024, in another surrender case, the Court of Amsterdam ruled that there is a general real risk of violation of fundamental rights for remand prisoners in Poland. Therefore, I would like to ask you to provide me with the following information:
1. In which remand prison will [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [de opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question:
3. Will [de opgeëiste persoon] be able to participate in activities in that remand prison and, if so, how many hours per day would he be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?”
De Poolse autoriteiten hebben bij brief van 7 oktober 2025 de door het IRC op 29 september 2025 geformuleerde vragen, voor zover relevant, als volgt beantwoord:
“Further to the letter of 29 September 2025 concerning the European Arrest Warrant issued against [de opgeëiste persoon] , I would like to inform you that the following information has been obtained:
1. Once the suspect [de opgeëiste persoon] has been handed over, he will most likely be placed in a Detention Centre unit of the Penal Institution in Przemysl (ul. Rokitianska 1, 37-700 Przemysl),
2. Inmates are housed in residential cells in conditions providing a minimum of 3 square metres, the area not including sanitary facilities,
3. The suspect [de opgeëiste persoon] will be entitled to one hour of walking per day and, in addition, twice a week he will be able to enjoy one hour of cultural, educational or sporting activities (for example, genera! education classes, special interest groups, meetings of AA groups, recreation room groups) outside his residential cell.”
Vervolgens heef het IRC op 22 oktober 2025 de volgende nadere vraag aan de Poolse autoriteiten gesteld:
“In a previous case, the Court of Amsterdam has considered information similar to the
information you provided on 07-10-2025 insufficient, as it falls short of a guarantee that the wanted person can spend at least 2 hours per day outside his cell if he chooses to participate in all activities in which he can under normal circumstances.
Based on this, I request you to:
- Guarantee that [de opgeëiste persoon] will be placed in a cell with at least 4 square meters
personal space, not including sanitary facilities.
Or
- Guarantee that [de opgeëiste persoon] will be able to spend at least 2 hours per day outside his
cell if he requests to participate in any and all activities that are available to him under
normal circumstances.”
De Poolse autoriteiten hebben hierop bij brief van 27 oktober 2025, voor zover relevant, als volgt geantwoord:
“Referring to the letter from the day 22nd of October 2025 year regarding the European Arrest Warrant issued against [de opgeëiste persoon] , 1 would like to inform you that, in accordance with the applicable regulations:---
- the temporarily detained person is kept in a residential cell in conditions that provide him with at least 3 square meters, excluding sanitary facilities ,---
- and there is not any legal guarantee that the suspect can spend at least two hours a day outside his cell.---"
Vervolgens heeft het IRC op 29 oktober 2025 de volgende nadere vragen aan de Poolse autoriteiten gesteld:
“- Which activities the wanted person can participate in;
- The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library, common rooms, etc.);
- The frequency of such activities and how much time the wanted person can access the common areas outside of the cell;
- Whether the permission to participate in activities or access to common areas is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which conditions or procedural rules; and/or
- Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general risk of ill-treatment has been discounted.”
De Poolse autoriteiten hebben bij brief van 31 oktober 2025 de door het IRC op 29 oktober 2025 geformuleerde vragen, voor zover relevant, als volgt beantwoord:
“Further to the letter of 29 October 2025 concerning the European Arrest Warrant issued
against [de opgeëiste persoon] , I would like to inform you that:
1. The above arrestee may spend on average approx. 2 hours outside his residential
cell per day as part of his rights to leave the cell. Once they have been used, it is not
possible to stay outside the residential cell.
2. The arrestee may participate in activities outside his residential cell, such as: sports
activities, cultural and educational activities, access to the library, access to
religious service,
3. The places to which the arrestee has daily access include the prison recreation
room and the walking yard.
4. The arrestee may use the possibility of at least 1 hour of walking, cultural and
educational activities - 4 hours per week, sports activities available from April to
October and carried out outdoors - 2 times a week for at least 1 hour.
5. Participation in activities available to the arrestee outside the residential cell is
regulated by the rules of the internal order, and by weekly schedules of cultural,
educational and sports activities drawn up by the administration.
6. The execution of the provisional arrest is carried out in accordance with the
applicable regulations arising from the Prison Service Act of 9 April 2010 (Joumal
of Laws [Dziennik Ustaw] of 2010, number 79, item 523, as amended), ratified
intemational agreements, the Executive Criminal Code Act of 6 J::r;re 1997
(Joumal of Laws of 2025, item 911, consolidated text), which guarantee the lawful
and humane treatment of an arrestee.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg dient te worden gegeven aan het EAB en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden in het
remand regimein Polen, is door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte detentiegaranties niet weggenomen. Hoewel de rechtbank de eerder geformuleerde eis dat ten minste een verblijf van twee uur buiten de cel per dag moet worden gegarandeerd niet meer strikt hanteert, blijft de rechtbank kritisch op de benodigde gegarandeerde aanvullende activiteiten.
Uit de aanvullende informatie van 7 oktober 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon kan beschikken over minimaal 3 m2 aan individuele leefruimte, hij één uur per dag kan wandelen in de
yarden dat hij daarnaast twee keer per week gedurende één uur kan deelnemen aan diverse activiteiten. De aanvullende informatie van 31 oktober 2025 lijkt hiervan af te wijken, in die zin dat hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon één uur per dag kan wandelen en daarnaast vier uur per week andere activiteiten kan ondernemen. Daarbij kan punt 4 van de aanvullende informatie van 31 oktober 2025 op verschillende manieren kan worden begrepen, maar zelfs als zou de informatie zo worden gelezen dat de opgeëiste persoon naast het uur wandelen per dag, kan deelnemen aan de vier uur per week aan activiteiten én daarnaast nog twee keer per week een uur kan sporten, dan is nog niet gegarandeerd dat hij rond twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Bovendien geldt voor de periode van november tot mei, dat er geen sport wordt aangeboden en de tijd die hij buiten de cel kan verblijven dus nog korter is.
De raadsman verzoekt de rechtbank subsidiair de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse autoriteiten nadere vragen te stellen over de tijd die de opgeëiste persoon dagelijks buiten zijn cel kan verblijven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt de overlevering kan worden toegestaan. Het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar is door de verstrekte individuele garanties wegeggenomen. De aanvullende informatie van 31 oktober 2025 lijkt strijdig met de eerder verstrekte informatie van 7 oktober 2025, maar dat komt waarschijnlijk door de gestelde vragen. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de laatst verstrekte aanvullende informatie, te weten de informatie van 31 oktober 2025. Daaruit blijkt dat de opgeëiste persoon kan beschikken over 3 m2 individuele ruimte. Dat is het absolute minimum en volgens vast rechtspraak van de rechtbank dient er dan gekeken te worden naar compenserende factoren. De opgeëiste persoon kan gemiddeld ongeveer twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Volgens de nieuwe door de rechtbank ingezette lijn, waarbij niet meer vereist is dat gegarandeerd wordt dat een opgeëiste persoon dagelijks ten minste twee uur buiten zijn cel kan verblijven, is dit voldoende.
Subsidiair verzoekt de officier van justitie de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse autoriteiten nadere vragen te stellen over de tijd die de opgeëiste persoon gemiddeld per dag buiten zijn cel kan verblijven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat met de verstrekte informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Uit de informatie blijkt dat de opgeëiste persoon kan beschikken over 3 m2 individuele ruimte.
Ten aanzien van de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel zou kunnen doorbrengen, is de informatie vervolgens niet eenduidig. In brief van 7 oktober 2025 is gesteld dat hij “
will be entitled to one hour of walking per day and, in addition, twice a week he will be able to enjoy one hour of cultural, educational or sporting activities”en in de brief van 27 oktober 2025 is vermeld “
there is not any legal guarantee that the suspect can spend at least two hours a day outside his cell”.De informatie die vervolgens bij brief van 31 oktober 2025 is gegeven, lijkt hier in positieve zin van af te wijken, in die zin dat hierin wordt gesteld dat de opgeëiste persoon ‘
on average approx. 2 hours’per dag buiten zijn cel kan verblijven, maar dit lijkt niet te worden ondersteund door de uitleg die daarbij vervolgens wordt gegeven. (De vertaalde versie van) de informatie zoals deze onder 4 is verstrekt kan op verschillende manieren worden gelezen, maar zelfs de meest gunstige lezing van de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel zou kunnen doorbrengen komt niet in de buurt van een gemiddelde van verblijf buiten de cel.
Tegen die achtergrond kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen, zodat er voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat.
Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan, omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kan worden uitgesloten. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden is opgetreden.
De rechtbank stelt hierbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn van
30 dagen waarbinnen dergelijke informatie dient te worden ontvangen.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland aan het einde van deze redelijke termijn,
19 december 2025 of uiterlijk 10 dagen daarna, zodat nagegaan kan worden of een wijziging in de omstandigheden binnen de termijn van 30 dagen is opgetreden.
Op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, verlengt de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Wanneer binnen de hierboven gestelde redelijke termijn geen wijziging in de omstandigheden is opgetreden, zal aan de overlevering ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.

7.Schorsingsverzoek overleveringsdetentie

Verzoek van de raadsman
De raadsman verzoekt, indien de behandeling van de zaak wordt aangehouden, om de gevangenhouding van de opgeëiste persoon te schorsen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen inwilliging van het verzoek en heeft daartoe aangevoerd dat uit het EAB en de daarop betrekking hebbende stukken blijkt dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van vluchtgevaar en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn aangevoerd die schorsing na het toestaan van de overlevering kunnen rechtvaardigen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek af. De rechtbank is van oordeel dat het vluchtgevaar zo reëel is dat alleen vrijheidsbeneming kan voorkomen dat de opgeëiste persoon zich aan een eventueel
toelaatbaar geoordeelde overlevering zal onttrekken. De rechtbank betrekt daarbij de ernst van de verdenking en de overeenkomstige hoge strafdreiging. Alhoewel de opgeëiste persoon heeft aangetoond dat hij de afgelopen jaren in Nederland heeft gewerkt, is er nog veel onduidelijk over zijn woonsituatie. Daarnaast constateert de rechtbank dat de opgeëiste persoon kort na het feit waarvan hij in Polen wordt verdacht naar Nederland is vertrokken, waar hij zich het grootste deel van de tijd niet heeft ingeschreven in de Brp op een Nederlands adres, waardoor de rechtbank niet uitsluit dat hij zich hier aan het zicht van de autoriteiten heeft willen
onttrekken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon inmiddels niet dusdanig lang in overleveringsdetentie heeft gezeten of dreigt te zitten dat het voortduren daarvan een schending van artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou opleveren.

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting op
19 december 2025 of uiterlijk 10 dagen daarna.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. E.G.M.M. van Gessel en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.