AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenuitspraak over detentieomstandigheden en redelijke termijn bij Europees aanhoudingsbevel Frankrijk
De rechtbank Amsterdam behandelt het verzoek tot overlevering van een persoon uit Irak op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse autoriteiten. De opgeëiste persoon is in Nederland gedetineerd en vertegenwoordigd door een advocaat, terwijl hij zelf niet verschijnt. De rechtbank heeft meerdere zittingen gehouden en tussenuitspraken gedaan waarin zij onder meer de detentieomstandigheden in de Franse gevangenis onderzocht.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minimale persoonlijke leefruimte van drie vierkante meter in de Franse meerpersoonscel niet gegarandeerd kan worden en dat de Franse autoriteiten geen concrete informatie kunnen geven over de mate van reductie hiervan. Dit leidt tot een individueel gevaar dat de opgeëiste persoon wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandeling, wat een weigeringsgrond vormt op grond van artikel 11 vanPro de Overleveringswet.
Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan en stelt een redelijke termijn van veertien dagen vast om te onderzoeken of er binnen die termijn een wijziging in de detentieomstandigheden optreedt. De zaak wordt heropend en opnieuw ingepland, waarbij de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw en een tolk worden opgeroepen. Indien binnen de termijn geen verbetering wordt vastgesteld, zal de rechtbank geen gevolg geven aan het EAB.
De rechtbank benadrukt dat ondanks het verstrijken van de wettelijke beslistermijn de verplichting tot beslissing blijft bestaan. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan wegens een individueel gevaar voor schending van grondrechten door detentieomstandigheden en stelt een redelijke termijn van veertien dagen in.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/108643-25
Datum uitspraak: 25 november 2025
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 24 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 februari 2025 door de Procureur de la République près le
Tribunal Judiciaire de Lille, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Irak),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
Zitting van 11 juni 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 11 juni 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – conform de door hem ondertekende afstandsverklaring van 10 juni 2025 – niet verschenen. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. L.D. Lubrano, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor bepaalde tijd om het antwoord van de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit op de vraag waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaatst zal worden, af te wachten.
Zitting van 1 juli 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB, met instemming van de raadsvrouw en de officier van justitie, in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 1 juli 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – conform de door hem ondertekende afstandsverklaring van 30 juni 2025 – niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw. [2]
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [3] Daarnaast heeft de rechtbank de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW nogmaals met dertig dagen verlengd – ingaand op het moment waarop de termijn van negentig dagen verstrijkt – onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Tussenuitspraak van 15 juli 2025
De rechtbank heeft op 15 juli 2025 een tussenuitspraak gewezen, [4] waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst, om partijen in de gelegenheid te stellen zich op de volgende zitting uit te laten over de in overweging 5 van de tussenuitspraak genoemde statistische gegevens.
Zitting van 22 juli 2025
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 juli 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. D.J. Troost, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. L.B. Lubrano, beiden advocaat te Amsterdam.
Tussenuitspraak van 5 augustus 2025
De rechtbank heeft op 5 augustus 2025 een tussenuitspraak gewezen, [5] waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder overweging 4.4. geformuleerde vragen omtrent de detentieomstandigheden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW nog eens met dertig dagen verlengd en gelijktijdig de gevangenhouding verlengd met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 1 oktober 2025
De behandeling van het EAB is met instemming van de raadsvrouw en de officier van justitie in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 1 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. L.B. Lubrano, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft vastgesteld dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken, zodat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. [6]
Tussenuitspraak van 15 oktober 2025
De rechtbank heeft op 15 oktober 2025 een tussenuitspraak gewezen, [7] waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder overweging 5. van die tussenuitspraak geformuleerde vragen omtrent de detentieomstandigheden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
Zitting 11 november 2025
De behandeling van het EAB is met instemming van de raadsvrouw en de officier van justitie in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 11 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft op de zitting van 1 oktober 2025 vastgesteld dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Iraakse nationaliteit heeft.
3.Tussenuitspraken van 15 juli 2025 en 15 oktober 2025
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 15 juli 2025 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLWPro en de strafbaarheid van de feiten.
De rechtbank stelt verder vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 15 oktober 2025 al is geoordeeld over de weigeringsrond van artikel 13 OLWPro. De overwegingen van de rechtbank in deze tussenuitspraken kunnen als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4.Artikel 11 OLWPro; Franse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in de tussenuitspraken van 15 juli 2025, 5 augustus 2025 en 15 oktober 2025 ten aanzien van de detentieomstandigheden, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 15 oktober 2025 heef het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“1. What is the minimum square meters of personal space that the requested person is provided with, when the situation occurs where (as a consequence of adding additional beds) the requested person temporarily is not provided with a minimum of 3 square meters of personal space in a multiple occupancy cell?
2. Can you confirm that the term ‘personal space’ in a multiple occupancy cell, is understood to mean the personal living space excluding sanitary facilities, but including the furniture?”
Op 28 oktober 2025 is van de Franse autoriteiten de volgende informatie ontvangen:
“The answer to this question will depend on the occupancy rate of the detention center, which is by definition variable at the time of transfer, and on the date of the transfer, which is unknown at this stage. Consequently, our Ministry is not in a position to indicate the minimum amount of individual space that the detainee will have at that time.
As regards the methods used to calculate individual space, we can inform you that in all French prisons, cell capacity is determined by the legal rules of the 16th of march 1988 « circulaire », with regard to the floor area of the room. The area of the sanitary facilities is therefore included in the floor area of the room, depends on technical constraints and varies between 1,4 and 1,8 m2.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon na overlevering wordt onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en een redelijke termijn te stellen zodat nogmaals vragen kunnen worden gesteld aan de Franse autoriteiten met betrekking tot de detentieomstandigheden.
Oordeel van de rechtbank
In de tussenuitspraak van 15 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat, alhoewel minimaal 3m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel niet wordt gegarandeerd voor de opgeëiste persoon gedurende de eerste (maximaal) 15 dagen na aankomst in het detentiecentrum in Lille-Annoeullin, de compenserende factoren als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Dorobantu aanwezig zijn, met uitzondering van de factor dat het slechts mag gaan om een reductie van het minimum van 3 m2 ‘in geringe mate’. [8] Uit de antwoorden van 28 oktober 2025 volgt dat de Franse autoriteiten geen informatie kunnen verschaffen over de mate van reductie van de individuele leefruimte ten opzichte van de vereiste minimale 3 m², zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat deze enkel in geringe mate zal plaatsvinden. Hieruit volgt dat voor de opgeëiste persoon het bedoelde algemene reële gevaar niet wordt uitgesloten.
De rechtbank stelt daarmee vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Lille-Annoeullinals de overlevering zou worden toegestaan.
Nu een individueel gevaar wordt aangenomen, dient de rechtbank de beslissing aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Hoewel het in deze fase niet aan de rechtbank is om vragen te formuleren (maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om informatie te verstrekken waaruit een wijziging van de omstandigheden blijkt), acht de rechtbank het niet ondenkbaar dat aanvullende informatie mogelijk een dergelijke wijziging zou kunnen opleveren. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden is opgetreden.
Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. Ingevolge artikel 11, derde lid, OLW wordt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarvan onder opgave van redenen van de aanhouding in kennis gesteld door de officier van justitie. Gedurende de aanhouding zal de rechtbank nagaan of er een wijziging in de omstandigheden plaatsvindt. De rechtbank stelt de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn in deze zaak vast op veertien dagen, nu er al veel tijd is verstreken sinds de aanvang van deze zaak en er al veel vragen zijn gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerste zittingsdag na het verstrijken van deze termijn (10 december 2025) dan wel uiterlijk tien dagen na die datum, zodat nagegaan kan worden of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
5.Beslissing
HEROPENTen SCHORSThet onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de zitting van 10 december 2025 dan wel uiterlijk tien dagen daarna.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW .
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Koerdische (Sorani) taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.