ECLI:NL:RBAMS:2025:9910

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
13/242407-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Franse autoriteiten. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1992, die wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 11 november 2025 gestart, waarbij de officier van justitie mr. A. Keulers aanwezig was. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M.S. Jumelet. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot aan de uitspraak. Tijdens de zitting op 27 november 2025 werd de zaak voortgezet in gewijzigde samenstelling met officier van justitie mr. W.L.M. van Poll. De rechtbank heeft de genoegzaamheid van het EAB beoordeeld en geconcludeerd dat het EAB voldoende informatie bevatte over de strafbare feiten waarvoor de overlevering werd verzocht. De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in Frankrijk beoordeeld, waarbij werd vastgesteld dat er een algemeen gevaar bestaat voor schending van grondrechten door overbevolking in Franse detentie-instellingen. De rechtbank heeft de zaak heropend en geschorst om aanvullende vragen aan de Franse autoriteiten te stellen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd met dertig dagen en bepaald dat de zaak uiterlijk veertien dagen voor 12 januari 2026 opnieuw op zitting moet worden gepland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/242407-25
Datum uitspraak: 11 december 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 1 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juli 2024 door de
Procureur de la République du Tribunal Judiciaire de Rennes, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 11 november 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M.S. Jumelet, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst om de antwoorden op de vragen met betrekking tot de toetsing aan artikel 2 OLW en artikel 11 OLW af te wachten.
Zitting van 27 november 2025
De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen - voortgezet in gewijzigde samenstelling op de zitting van 27 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M.S. Jumelet, advocaat in Rotterdam.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 24 juli 2024, parketnummer: 23268000026, onderzoeksnummer: JIJIRS7C23000005.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
De raadsvrouw heeft betoogd dat het EAB ongenoegzaam is. In de e-mail van de Franse autoriteiten van 3 november 2025 staat dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon is of zal worden gewijzigd naar “
importation of narcotic drugs”. De informatie in het EAB lijkt daarmee achterhaald of onjuist te zijn. Het EAB voldoet daarom niet aan de eisen van artikel 2, tweede lid, OLW zodat er geen gevolg gegeven moet worden aan het EAB. Nu er geen aanscherping van het feitencomplex is, is het onduidelijk waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Dat is in strijd met het specialiteitsbeginsel. Daarnaast is het ook onduidelijk of de feiten nog wel onder de lijstfeiten vallen en wat nu de maximumstraf is.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van strafrechtelijk onderzoek - met de omschrijving in het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, namelijk deelneming aan een criminele organisatie en betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen in Nederland, België en Frankrijk in de periode tussen 19 september 2023 en 22 september 2023. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Frankrijk wordt verdacht, zal later in Frankrijk moeten blijken. Ten aanzien van hetgeen de raadsvrouw verder naar voren heeft gebracht, merkt de rechtbank op dat het aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is hoe zij de feiten kwalificeert. De rechtbank kijkt in het kader van de genoegzaamheid van de verdenking hoofdzakelijk naar het feitencomplex. Aan dit feitencomplex zelf is blijkens de e-mail van 14 november 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit niets veranderd. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de feiten niet langer onder de aangekruiste lijstfeiten, waarover onder overweging 4 meer, vallen. Daarnaast maakt de rechtbank uit de e-mail van 3 november 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit op dat het feitencomplex inmiddels anders wordt gekwalificeerd door de Franse autoriteiten, waarbij er een maximum vrijheidsstraf van 10 jaar (bij recidive 20 jaar) van toepassing is. De vragen die het Openbaar Ministerie heeft gesteld over de in het EAB vermelde levenslange gevangenisstraf zijn reeds daarom niet relevant.
De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelname aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Prosecutor of the Républic at the Judicial Court of Rennesheeft op 10 oktober 2025 de volgende garantie gegeven:
“Further to your request of 02 October 2025, and pursuant to the provisions of the Framework Decision of the Council of the European Union of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States, I confirm that I guarantee that [opgeëiste persoon] , dutch national, once heard by the French trial court, will be returned to the Netherlands, the executing Member State, in order to serve the custodial sentence or measure involving deprivation of liberty which may be imposed on him by the French judicial authorities. (…).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden

Inleiding
In twee uitspraken van 5 augustus 2025 [5] heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring (HvB) in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking in deze detentie-instellingen, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Mannelijke verdachten en personen met een (rest)straf van niet meer dan twee jaar worden in een Huis van Bewaring gedetineerd en zo ook de opgeëiste persoon. Voor hem geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van grondrechten in detentie in Frankrijk.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) heeft in deze zaak op 2 oktober 2025 onder meer de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“a. In which detention facility will [opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
b. Can it be guaranteed that [opgeëiste persoon] is provided with a minimum of 3 square meters of personal space (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, in light of the judgment in Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857, paragraphs 75- 76)?”
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft per e-mail van 13 oktober 2025 de volgende informatie verstrekt:
“After his surrender, [opgeëiste persoon] will most likely be detained in the Rennes detention center. Please find in attached file an overview of Rennes detention Center.”
Het IRC heeft op 14 oktober 2025 aanvullende vragen gesteld. Bij brief van 30 oktober 2025 heeft het Directoraat voor strafzaken en genadeverlening van het Ministerie van Justitie onder meer de volgende informatie gegeven over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk:
“In afwachting van zijn eventuele uitspraak, is de rechtbank van Rennes voornemens de heer [opgeëiste persoon] op te sluiten in de gevangenis van Rennes-Vezin.
Voor de Franse autoriteiten is het niet mogelijk te garanderen dat de gevangene zal beschikken over de vereiste minimale ruimte bij zijn uitlevering aan de Franse autoriteiten, aangezien de bezettingsgraad in de gevangenissen per definitie variabel is en afhankelijk is van de datum van uitlevering van de gezochte persoon, die op dit moment nog niet bekend is, en aangezien de nationale normen die voortvloeien uit de circulaire van 16 maart 1988 en die worden gebruikt voor het meten van de cellen in Franse gevangenissen, geen onderscheid maken tussen de beschikbare persoonlijke ruimte zonder de sanitaire voorzieningen. (...)
In afwachting van het einde van het lopende gerechtelijke onderzoek en de eventuele veroordeling van de heer [opgeëiste persoon] voor de feiten die hem worden verweten, zal hij worden ondergebracht in de afdeling “huis van bewaring voor mannen” binnen de gevangenis van Rennes-Vezin bij zijn aankomst in Frankrijk. Zodra zijn veroordeling definitief wordt en indien de uitgesproken straf meer dan 2 jaar gevangenisstraf bedraagt, zal hij worden overgeplaatst naar het “detentiecentrum” van deze gevangenis.
(...)
In ieder geval en in antwoord op uw bijkomende vragen, verwijzen wij naar de toelichtingen in voorgaande brief doorgegeven via e-mail door het Parket van Rennes op 13 oktober 2025, met inbegrip van een document waarin in detail wordt uiteengezet dat de heer [opgeëiste persoon] , indien hij dat wenst, toegang zal hebben tot culturele en sportieve activiteiten, bezoektijd in een daarvoor bedoelde ruimte, de nodige verzorging voor eventuele gezondheidsproblemen, criteria die garant staan voor voldoende bewegingsvrijheid en voldoende tijd doorgebracht buiten de cel, in overeenstemming met fatsoenlijke detentieomstandigheden. (...)
Echter, indien de gedetineerde niet om een activiteit vraagt of niet reageert op enig voorstel van het personeel, heeft hij elke dag gedurende minimum 1 uur toegang tot één van de wandelplaatsen in de open lucht.
De tijd doorgebracht in de cel hangt af van de activiteiten waaraan de gevangene deelneemt, met dien verstande dat de gevangene 's nachts niet langer dan 12 uur in de cel mag worden opgesloten.”
Naar aanleiding van vragen van het IRC is in de aanvullende informatie van 24 november 2025 het volgende vermeld:
“Indeed, as we indicated in our letter dated 30 October, forwarded by [persoon] on 3 November, all cultural and sporting activities, regular visiting times in a dedicated area and time for outdoor exercise in dedicated outdoor areas are criteria that do guarantee sufficient freedom of movement and time spent outside cells that is compatible with decent conditions of detention. It should be added that current French regulations stipulate a minimum of one hour of outdoor exercise per day for each prisoner. However, this time is generally organised as two hours of planned exercise in one or two sessions spread throughout the day.Consequently, it can be guaranteed that if the minimum living space is less than 3ms, this will necessarily take place for a short time, occasionally and to a limited extend in accordance with the case law of the European Court of Human Rights.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de detentiegarantie niet voldoende is. Hoewel de persoonlijke ruimte alleen voor beperkte duur, in geringe mate en bij gelegenheid wordt gereduceerd ten opzicht van de vereiste 3 m2 en de compenserende factoren voldoende zijn, dienen er toch vragen te worden gesteld over de hygiëne en de bezoek- en belregeling voor buitenlandse gedetineerden. Daarnaast is er geen garantie dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk in Rennes-Vezin zal worden gedetineerd. Dit is een belangrijk punt omdat de overlevering voor bepaalde HvB’s ontoelaatbaar is geacht en er een algemeen gevaar is aangenomen voor HvB’s. Bij een rondvraag onder collega-advocaten blijkt dat andere opgeëiste personen niet altijd in Rennes-Vezin terecht komen terwijl daar wel een detentiegarantie voor was afgegeven. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie afdoende is. Wanneer de leefruimte onder 3 m2 komt, is dit voor beperkte duur, in geringe mate en bij gelegenheid. Daarnaast is er voldoende beweegruimte buiten de cel en zijn er geen andere verzwarende elementen. Het algemeen gevaar ziet niet op hygiëne en de bezoek- en belregeling voor buitenlandse gedetineerden, waardoor hierover geen vragen hoeven worden gesteld. Er hoeft geen garantie te komen dat de opgeëiste persoon in Rennes-Vezin daadwerkelijk wordt gedetineerd, omdat alleen de detentieomstandigheden hoeven te worden getoetst van de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon in eerste instantie naar alle waarschijnlijk zal worden gedetineerd. De detentieomstandigheden vormen geen beletsel voor de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
In het licht van het wederzijdse vertrouwen dat tussen de lidstaten moet bestaan en gelet op met name de termijnen die de uitvoerende rechterlijke autoriteiten krachtens artikel 17 van het Kaderbesluit zijn opgelegd voor de vaststelling van de definitieve beslissing tot uitvoering van een EAB, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit alleen verplicht de detentieomstandigheden te onderzoeken in de penitentiaire inrichtingen waar, volgens de informatie waarover zij beschikt, deze persoon volgens een concreet voornemen zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. [6]
Uit de e-mail van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 13 oktober 2025 volgt dat de opgeëiste persoon
‘most likely’in Rennes-Vezin wordt gedetineerd. De rechtbank hoeft daarom alleen de detentieomstandigheden van die instelling te toetsen.
Zoals al bij de inleiding is overwogen, ziet het vastgestelde algemeen gevaar op de overbevolking in de HvB’s in Frankrijk. De detentiegarantie die de Franse autoriteiten afgeven voor de opgeëiste persoon, hoeft daarom geen specifieke garanties te geven over de hygiëne en de bezoek- en belregeling voor buitenlandse gedetineerden. De raadsvrouw heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit moet volgen dat ook ten aanzien van die aspecten een algemeen gevaar moet worden aangenomen. De enkele ervaring van de opgeëiste persoon is hiertoe onvoldoende. De rechtbank zal hierover dan ook geen nadere vragen stellen.
De rechtbank overweegt voorts dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie van 3 november 2025 heeft aangegeven dat niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon een persoonlijke leefruimte van minimaal 3 m2 tot zijn beschikking heeft.
In het geval een opgeëiste persoon minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte in een collectieve cel tot zijn beschikking heeft, is sprake van een sterk vermoeden van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat sterke vermoeden kan normaliter alleen worden weerlegd indien aan de volgende cumulatieve eisen is voldaan [7] :
* de persoonlijke ruimte enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate wordt gereduceerd ten opzichte van de vereiste minimale 3 m2;
* hierbij voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel wordt geboden en buiten de cel passende activiteiten worden aangeboden en,
* in de inrichting in het algemeen sprake is van decente detentieomstandigheden en de betrokkene niet wordt onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden.
De Franse autoriteiten hebben in de aanvullende informatie van 24 november 2025 aangegeven dat aan de eerste voorwaarde wordt voldaan en dat dit in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens zal zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie te algemeen is geformuleerd om concreet vast te kunnen stellen dat de persoonlijke ruimte inderdaad enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate wordt gereduceerd ten opzichte van de vereiste minimale 3 m2. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek te heropenen en te schorsen om via de officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen om een
concrete, feitelijke invulling te geven aan de begrippen: een korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate.In dat verband zou bijvoorbeeld gevraagd kunnen worden hoe vaak het voorkomt dat de leefruimte onder de 3 m2 komt, hoe lang zo’n periode doorgaans duurt en hoe ver onder de 3 m2 de persoonlijke leefruimte in die gevallen komt).

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder overweging 6 opgenomen vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 12 januari 2026, uiterlijk veertien dagen voor die datum opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 oktober 2019, zaak Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857), punt 72.