ECLI:NL:RBAMS:2025:9915

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
11769243 \ CV EXPL 25-8927
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BWArt. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur juridische werkzaamheden zonder betalingsregeling

Eiser, een advocaat, verrichtte juridische werkzaamheden voor twee bedrijven die de factuur niet volledig betaalden. Ondanks erkenning van de schuld door gedaagden, wilden zij een betalingsregeling treffen, maar eiser weigerde dit.

De kantonrechter oordeelde dat eiser niet verplicht is een betalingsregeling te accepteren en dat gedaagden het openstaande bedrag ineens moeten voldoen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden beperkt tot het wettelijk minimum van €40, terwijl de gevorderde rente werd toegewezen.

Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €3.369,94 plus wettelijke handelsrente vanaf 15 oktober 2025 en de proceskosten van €851,90. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat geen betalingsregeling.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €3.369,94 met rente en proceskosten zonder betalingsregeling.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11769243 \ CV EXPL 25-8927
Vonnis van 18 november 2025
in de zaak van
mr. [eiser] (handelend onder de naam [handelsnaam] ),
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

en
2.
[gedaagde 2] B.V.,
beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [bedrijf 1] respectievelijk [gedaagde 2] ,
beiden vertegenwoordigd door: [naam] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het proces-verbaal van aanvullend mondeling antwoord,
- de e-mail van [naam] van 4 juli 2025,
- het instructievonnis van 22 juli 2025,
- de conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis, met producties,
- de conclusie van dupliek, met producties,
- de akte uitlating producties, tevens akte vermindering eis.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is advocaat. [bedrijf 1] is een onderneming met holdingactiviteiten. Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] is [naam] (hierna: [naam] ). [gedaagde 2] is een accountants- en belastingadvieskantoor. [bedrijf 1] is – met [bedrijf 2] B.V. – medeaandeelhouder en medebestuurder van [gedaagde 2] geweest. [bedrijf 1] heeft tijdens deze procedure haar aandelen in [gedaagde 2] afgedragen en is niet langer medebestuurder.
2.2.
[eiser] heeft, op basis van een op 25 februari 2025 van [naam] ontvangen en vervolgens bevestigde opdracht, juridische werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] en [gedaagde 2] .
2.3.
[eiser] heeft [bedrijf 1] en [gedaagde 2] meerdere facturen verstuurd. De aan hen verstuurde factuur van 22 april 2025 voor een totaalbedrag van € 5.456,41 inclusief btw (hierna: de factuur) is niet binnen de termijn van veertien dagen betaald.
2.4.
Bij e-mail van 7 mei 2025 heeft [naam] aan [eiser] medegedeeld dat hij geen gebruik meer wil maken van de diensten van [eiser] en dat hij zal overstappen naar een andere advocaat. [eiser] heeft de beëindiging van de opdracht diezelfde dag aan [naam] bevestigd.
2.5.
[naam] heeft [eiser] bij e-mail van 19 mei 2025 geïnformeerd dat hij onvoldoende middelen heeft om de factuur te betalen en dat hij zoekt naar een oplossing om de factuur zo snel mogelijk te betalen. [eiser] heeft diezelfde dag per e-mail de vennootschap van [naam] in gebreke gesteld en aanspraak gemaakt op vergoeding van de wettelijke handelsrente.
2.6.
[eiser] heeft [naam] vervolgens bij e-mail van 27 mei 2025 gesommeerd tot betaling van € 6.139,23, bestaande uit het factuurbedrag, verschenen rente en buitengerechtelijke kosten.
2.7.
[naam] heeft [eiser] bij e-mail van 30 mei 2025 voorgesteld om de factuur en de rente (eventueel met buitengerechtelijke incassokosten) in zeven maandelijkse termijnen te betalen. [eiser] heeft dat voorstel bij e-mail van 2 juni 2025 geweigerd en [naam] nogmaals gesommeerd tot betaling van de factuur met rente en buitengerechtelijke kosten.
2.8.
[bedrijf 1] heeft op 27 juni 2025 een bedrag van € 785,- aan [eiser] voldaan. Op 14 augustus 2025 heeft [bedrijf 1] € 1.570,- aan [eiser] voldaan. Het overige is onbetaald gebleven.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, na eiswijzigingen, kort gezegd dat [bedrijf 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 3,977,76, met de wettelijke handelsrente vanaf 15 oktober 2025. Ook vordert [eiser] de kosten van deze procedure, vermeerderd met de handelsrente.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [bedrijf 1] en [gedaagde 2] de factuur niet tijdig en volledig hebben betaald, terwijl zij daartoe beiden hoofdelijk gehouden zijn. De overeenkomst is immers zowel met [bedrijf 1] als met [gedaagde 2] gesloten. Volgens [eiser] strekken de betalingen van [bedrijf 1] op grond van artikel 6:44 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) eerst in mindering op de verschuldigde (incasso)kosten en de rente, zodat nog een bedrag van € 3.977,76 resteert. Bovendien was [eiser] niet gehouden om in te stemmen met de betalingsregeling, aldus [eiser] .
3.3.
[bedrijf 1] en [gedaagde 2] erkennen dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Zij erkennen ook de verschuldigdheid van de factuur, maar willen graag een betalingsregeling treffen. Omdat [eiser] het voorstel van [naam] heeft geweigerd, verzoeken [bedrijf 1] en [gedaagde 2] om de betaling in termijnen te mogen voldoen.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak met name om de vraag welk bedrag [bedrijf 1] en [gedaagde 2] (ten aanzien van de factuur, rente en incassokosten) nog aan [eiser] moeten betalen. Ook gaat het om de vraag of [eiser] de voorgestelde betalingsregeling mocht weigeren. Samengeval oordeelt de kantonrechter dat [eiser] de betalingsregeling mocht weigeren. [bedrijf 1] en [gedaagde 2] wordt veroordeeld tot betaling van € 3.369,94, rente en de proceskosten, zonder betalingsregeling. Dat wordt hierna toegelicht.
Factuur
4.2.
[bedrijf 1] en [gedaagde 2] erkennen de verschuldigdheid van de oorspronkelijke hoofdsom van € 5.456,41. [bedrijf 1] en [gedaagde 2] hebben inmiddels in totaal € 2.355,- aan [eiser] betaald, maar die betalingen strekken, zoals [eiser] terecht stelt, eerst in mindering op de kosten en de rente. Daarom moet eerst worden vastgesteld of [bedrijf 1] en [gedaagde 2] buitengerechtelijke kosten en (verschenen) rente verschuldigd zijn.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.3.
De gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Er is sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten en de overeengekomen betalingstermijn is verstreken. Daarom zijn [bedrijf 1] en [gedaagde 2] op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW Pro ten minste een bedrag van € 40,- verschuldigd, ongeacht de daadwerkelijke hoogte van de kosten.
4.4.
[eiser] vordert echter € 647,82 aan incassokosten. [eiser] stelt daartoe dat hij zich genoodzaakt heeft gezien om zelf declarabele tijd te besteden en buitengerechtelijke werkzaamheden te verrichten om [bedrijf 1] en [gedaagde 2] tot betaling te bewegen. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro komen buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking als de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (dubbele redelijkheidstoets). Bovendien mag geen sprake zijn van werkzaamheden ter voorbereiding op de procedure. De kosten daarvan vallen immers onder de proceskosten.
4.5.
Intern gemaakte bedrijfskosten, in de vorm van door eigen deskundige medewerkers aan de zaak bestede tijd, komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. [1] [eiser] heeft echter niet gesteld welke werkzaamheden hij verricht heeft. Bovendien heeft [eiser] de omvang van de door hem bestede uren niet toegelicht. De bij dagvaarding overlegde producties in combinatie met het door hem gestelde uurloon zijn onvoldoende om de redelijkheid op te kunnen baseren. Daarom kan niet worden vastgesteld dat aan de dubbele redelijkheidstoets is voldaan en dat geen sprake is van werkzaamheden ter voorbereiding van de procedure. [eiser] heeft dan ook onvoldoende gesteld dat een vergoeding van meer dan € 40,- op zijn plaats is. Daarom zal een bedrag van € 40,- worden toegewezen.
4.6.
De wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke kosten wordt – voor zover gevorderd aangezien [eiser] de kosten onder één noemer heeft gevorderd –afgewezen. De wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW heeft namelijk uitsluitend betrekking op verplichtingen tot betaling uit een handelsovereenkomst. [2] Een verplichting tot vergoeding van schade, zoals vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, kan daartoe niet worden gerekend.
Rente
4.7.
[bedrijf 1] en [gedaagde 2] hebben de facturen te laat betaald en zijn daarom in verzuim. Zij moeten daarom rente betalen. De overeenkomst kwalificeert als handelsovereenkomst en de vordering vloeit voort uit die handelsovereenkomst, zodat de wettelijke handelsrente verschuldigd is. Het is niet duidelijk of [eiser] bij de berekening van de verschenen rente rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel 119a lid 3 BW (geen rente over rente binnen één jaar). Ook is niet duidelijk of [eiser] rente heeft gerekend over de buitengerechtelijke incassokosten. [bedrijf 1] en [gedaagde 2] hebben de hoogte van de gevorderde verschenen rente over de periode van 6 mei 2025 tot en met 14 oktober 2025 echter niet betwist. De gevorderde verschenen rente is dan ook toewijsbaar.
4.8.
De wettelijke handelsrente over de verschenen handelsrente – voor zover gevorderd – wordt afgewezen, omdat rente over rente pas na één jaar verschuldigd is.
Openstaand bedrag
4.9.
[eiser] is bij de berekening van zijn vordering uitgegaan van € 647,82 aan buitengerechtelijke kosten. Zoals hierboven is overwogen zijn [bedrijf 1] en [gedaagde 2] een lager bedrag aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd, namelijk € 40,-. Aangezien [bedrijf 1] en [gedaagde 2] de hoogte van de verschenen rente niet betwisten en de door [bedrijf 1] verrichte betalingen reeds op de vordering in mindering zijn gebracht, resteert een bedrag van € 3.369,94. Dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over het restant van de hoofdsom vanaf 15 oktober 2025.
Betalingsregeling
4.10.
[bedrijf 1] en [gedaagde 2] stellen dat zij het gevorderde bedrag niet in één keer kunnen betalen. [naam] heeft daarom een betalingsregeling aangeboden en al een aantal betalingen (in totaal 3 termijnen) verricht. [eiser] heeft echter geweigerd om een regeling aan te gaan. Uit artikel 6:29 BW Pro volgt dat [eiser] niet verplicht is om een betalingsregeling te treffen. Daaruit volgt ook dat de kantonrechter niet gerechtigd is om een betalingsregeling vast te stellen zonder instemming van [eiser] . Dat betekent dat – voor zover [bedrijf 1] en [gedaagde 2] dat verzocht hebben – er geen betalingsregeling in dit vonnis kan worden opgenomen. [bedrijf 1] en [gedaagde 2] zijn dus gehouden om het openstaande bedrag ineens te betalen.
Proceskosten
4.11.
[bedrijf 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 851,90, bestaande uit de kosten van de dagvaarding (€ 119,40), het griffierecht (€ 257,-), het salaris van de gemachtigde (2x € 204,-) en de nakosten (€ 67,50).
4.12.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6. is overwogen wordt de gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten afgewezen.
Hoofdelijk
4.13.
[naam] heeft zowel namens [bedrijf 1] als namens [gedaagde 2] geantwoord en erkend dat tussen partijen (dus alle partijen) een overeenkomst tot stand is gekomen. De stelling dat beide gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn wordt daarmee niet betwist. De veroordeling wordt dan ook hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [bedrijf 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.369,94, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het restant van de hoofdsom, met ingang van 15 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [bedrijf 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 851,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 18 november 2025.
64183

Voetnoten

1.Hoge Raad 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1036 (
2.Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40.