ECLI:NL:RBAMS:2025:9953

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
25/856
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 4:13 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing persoonsgebonden budget jeugdhulp wegens gebrek aan deugdelijke grondslag

Eiser, een minderjarige met autisme spectrum stoornis en ontwikkelingsachterstanden, vroeg een persoonsgebonden budget (pgb) voor informele jeugdhulp omdat hij op een wachtlijst stond voor zorg in natura (ZIN). Verweerder wees de aanvraag af met het argument dat de zorg door ouders gebruikelijke zorg is en dat de zorg via ZIN voorliggend is.

De rechtbank oordeelt dat het besluit niet voldoet aan de vereisten van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Jeugdwet. Het stappenplan uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is niet volledig doorlopen, met name de vaststelling van aard en omvang van de benodigde jeugdhulp en het onderscheid tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke zorg ontbreekt.

Verder is het besluit onvoldoende gemotiveerd en ontbreekt een beschikking waarin de aard en omvang van de toegekende ZIN worden vermeld, terwijl dit volgens de Jeugdwet wel vereist is. De verantwoordelijkheid hiervoor mag niet worden afgeschoven op de zorgaanbieder (kernpartner).

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de pgb-aanvraag wordt vernietigd en verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/856

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

wettelijk vertegenwoordigd door [naam 4] (moeder),
(gemachtigde: mr. C. Dol),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E.D. Mensing van Charante).

Procesverloop

1.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor jeugdhulp (ambulante begeleiding niet professionele inzet) op grond van de Jeugdwet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor 40 uur per week tegen een tarief van € 20,- per uur. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 23 juli 2024 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.
1.2.
Eiser heeft op 4 februari 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Met het bestreden besluit van 24 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit (het bestreden besluit). Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, mr. B. Belhaj (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser) en [naam 1] ( [functie 1] bij [bedrijf] ), de gemachtigde van verweerder en [naam 2] ( [functie 2] ).

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 2016. Hij is bekend met een autisme spectrum stoornis (ASS) en een cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand. Hij is zes maanden in behandeling geweest bij een kinderpsychiater van het [naam 3] [1] [naam 3] . Verder heeft eiser logopedie, fysiotherapie en muziektherapie gehad. Eiser is in 2022 door verweerder aangemeld voor dagbehandeling van Orthopedagogisch [locatie 1] Amsterdam van [bedrijf] ( [locatie 1] ) in de vorm van zorg in natura (ZIN). Echter op dat moment was er nog geen zicht op plaatsing en is eiser op de wachtlijst gezet. Om de periode tot plaatsing te overbruggen, ontving eiser vijf dagen per week jeugdhulp in de vorm van dagbehandeling vanuit het [locatie 2] [2] [locatie 2] Amsterdam (in de vorm van een pgb). In november 2023 is deze jeugdhulp gestopt. Sindsdien zit eiser thuis. Wel is thuisbegeleiding vanuit [locatie 1] gestart in 2024 voor een paar uur per week. Totdat eiser geplaatst wordt bij [locatie 1] , dragen de ouders van eiser de volledige zorg voor hem.
2.
2.2.
Eisers moeder heeft daarom een aanvraag om jeugdhulp bij verweerder ingediend voor informele jeugdhulp in de vorm van een pgb. Met een pgb wil moeder de zorg zelf gaan leveren totdat eiser geplaatst wordt bij [locatie 1] of voor hem een andere geschikte plek is gevonden.
2.3.
Op 12 februari 2024 heeft het Ouder- en Kind Team (OKT) in overleg met de ouders van eiser een perspectiefplan en een pgb-plan opgesteld. Daarin is het door moeder opgestelde zorgmomentenoverzicht meegenomen. Een van de doelen is dat eiser een passende dagbesteding krijgt.
Standpunten van partijen
3.1.
Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen en zich op het standpunt gesteld dat sprake is van gebruikelijke zorg door de ouders waarvoor geen jeugdhulp wordt afgegeven in de vorm van een pgb. Door het OKT en het pgb-team is zorgvuldig en uitgebreid onderzoek gedaan. Zij hebben daarbij alle geleverde informatie betrokken. Nadat het pgb-team in zijn eerste beoordeling alle stappen uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft gevolgd, is het pgb-team tot de conclusie gekomen dat hetgeen beschikt is, namelijk zorg door [locatie 1] , het meest passend is. Wat betreft de verzorging en begeleiding in de thuissituatie voor eiser is sprake van gebruikelijke zorg door de ouders. Ten eerste omvat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden en zijn de resultaten uit het Perspectiefplan algemene opvoedresultaten die vallen onder de ouderlijke taak van ouders. De ouders van eiser zijn in staat de zorg op het gebied van ADL [3] te bieden die hij nodig heeft. De moeder van eiser heeft de Hanencursus gedaan, krijgt opvoedondersteuning en is minder gaan werken. Dit valt onder het probleemoplossend vermogen en eigen kracht van de ouders. Daarnaast is eiser acht jaar oud. Kijkend naar de CIZ Indicatiewijzer 2014 (Indicatiewijzer) is de zorg die de ouders bieden passend bij de leeftijd van eiser. Dat de zorg intensiever van aard is, maakt niet dat de geboden zorg met betrekking tot de ontwikkelingsleeftijd bovengebruikelijk is. Ondanks dat eiser op het moment van aanvraag geen dagbesteding heeft, kan het pgb-team hier niet voor beschikken omdat de zorg vanuit [locatie 1] (in de vorm van ZIN) voorliggend is, aldus verweerder.
3.
3.2.
In beroep heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen omdat het stappenplan uit de rechtspraak van de CRvB niet goed is doorlopen. Zo is de aard en de omvang van de jeugdhulp niet vastgesteld (stap 3) en is geen onderzoek gedaan naar welke zorg onder de ouderlijke zorgplicht valt en welke niet (stap 4). [4] In dat kader voert eiser aan dat het bestreden besluit een deugdelijke grondslag mist omdat verweerder niets over het “probleemoplossend vermogen”, “eigen kracht” of “ouderlijke zorgplicht” in zijn Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 [5] (Verordening) heeft opgenomen, waardoor het voor eiser niet duidelijk is wat onder de ouderlijke zorgplicht valt en wat niet. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraken van de CRvB van
29 mei 2024. [6] Verder voert eiser aan dat er geen beschikking ligt waarin de groepsbehandeling bij [locatie 1] in de vorm van ZIN aan eiser is toegekend, zodat verweerder bij de afwijzing van de informele jeugdhulp hier niet naar kan verwijzen. Tot slot heeft eiser een beroep op het VN Vrouwenverdrag [7] gedaan. De moeder van eiser heeft recht op arbeid en zij kan dit recht niet uitoefenen, omdat er geen zorg voor eiser is over de periode van 12 februari 2024 tot 1 september 2024. Zij was in die periode gedwongen om zorg te leveren aan eiser en was daardoor niet in staat om te werken.
3.3.
In het verweerschrift heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat het bestreden besluit een deugdelijke grondslag mist. Wel kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten, omdat verweerder op goede gronden de aanvraag om jeugdhulp heeft afgewezen, aldus verweerder.

Oordeel van de rechtbank

Geen deugdelijke grondslag
4. Gelet op de uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024 zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Het bestreden besluit is namelijk gebaseerd op de Verordening en de grondslag dat sprake is van gebruikelijke zorg. In de uitspraken van de CRvB is daarover geoordeeld dat wanneer de term gebruikelijke zorg niet is gedefinieerd in de Verordening, besluiten die daarop gebaseerd zijn een deugdelijke grondslag ontberen. Daarvan is in dit geval ook sprake. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven zoals verweerder voorstaat.
Periode in geding
5. Op zitting is duidelijk geworden dat eiser per september 2024 is gestart bij [locatie 1] met groepsbehandeling. De periode in geding loopt daarom volgens de gemachtigde van eiser van 12 februari 2024 (datum perspectiefplan) tot 1 september 2024. Eiser wil over deze periode informele jeugdhulp in de vorm van een pgb. Niet in geschil is dat het beroep zich tot deze periode beperkt.

Werkwijze verweerder

6.1.
Op zitting heeft de gemachtigde van verweerder, met een collega van het pgb-team, een en ander toegelicht over de wijze waarop jeugdhulp door verweerder wordt toegekend wanneer daartoe een aanvraag is gedaan. Het OKT en (eventueel) het pgb-team behandelen een aanvraag om jeugdhulp. De resultaten van het onderzoek worden neergelegd in het perspectiefplan en indien van toepassing een pgb-plan. Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
  • Verweerder werkt met kernpartners: jeugdzorgaanbieders die de jeugdhulp in de vorm van ZIN aanbieden. Zij ontvangen een budget van verweerder om de jeugdhulp te bieden. Als een betrokkene bij een kernpartner wordt aangemeld en op de wachtlijst komt voor jeugdhulp en daardoor niet de jeugdhulp van die kernpartner ontvangt die op dat moment wel geïndiceerd is, dient de kernpartner te zorgen voor alternatieve jeugdhulp gedurende de periode dat de betrokkene op de wachtlijst staat. Door middel van onderaannemerschap moet de kernpartner een andere jeugdzorgaanbieder betrekken en betalen zodat die vervolgens tijdelijk de jeugdhulp verleent totdat de kernpartner het zelf kan gaan bieden;
  • Gaten in de jeugdhulpverlening wegens wachtlijsten worden niet opgevuld met een pgb voor informele hulp vanuit het sociale netwerk;
  • Sinds anderhalf jaar wordt geen jeugdhulp meer toegekend voor bovengebruikelijke zorg zolang bij de betrokkene nog ontwikkeling mogelijk is;
  • Als er jeugdhulp wordt toegekend door verweerder in de vorm van ZIN, dan wordt er geen beschikking afgegeven met daarin de aard en de omvang van de toegekende jeugdhulp omdat het aan de kernpartner is om de aard en de omvang nader in te vullen. De professionaliteit over de benodigde jeugdhulp zit bij de kernpartner en het is uitermate lastig voor het OKT om de aard en omvang van de benodigde jeugdhulp in een beschikking vast te leggen;
  • Als er jeugdhulp wordt toegekend door verweerder in de vorm van een pgb, dan wordt er wel een beschikking afgegeven met daarin de aard en de omvang van de toegekende jeugdhulp, omdat jeugdhulp die door ouders wordt gegeven gemakkelijk te onderbouwen is in een aantal uren.
6.2.
Voorts heeft de gemachtigde van verweerder op zitting, met een collega van het pgb-team, toegelicht dat in deze zaak – kort gezegd – geen pgb wordt toegekend omdat de zorg van moeder voor eiser en het toezicht houden op eiser niet vallen onder de Jeugdwet. De zorg die eiser nodig heeft, moet belegd worden bij een professionele hulpverlener. Alle zorg die moeder verleent, is gebruikelijke zorg en valt niet onder de Jeugdwet, aldus verweerder.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat deze werkwijze op bepaalde punten niet strookt met de uitleg van de regelgeving in de rechtspraak van de CRvB. De Jeugdwet is een kaderwet. De rechtbank zal hieronder – aan de hand van de beroepsgronden – nader toelichten op welke punten de werkwijze niet voldoet aan de vereisten van de wet- en regelgeving en waarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.
Verantwoordelijkheid verweerder versus zorgaanbieder (kernpartner)
7.1.
Eiser heeft aangevoerd dat er geen beschikking is afgegeven waarin de groepsbehandeling bij [locatie 1] in de vorm van ZIN aan eiser is toegekend, zodat verweerder bij de afwijzing van de informele jeugdhulp hier niet naar kan verwijzen.
7.
7.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat jeugdhulp in de vorm van ZIN voorliggend is en dat als eiser op een wachtlijst staat, het aan de kernpartner is om daarvoor een oplossing te vinden. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat jeugdhulp in de vorm van ZIN niet in uren is uit te drukken in een beschikking en dat daarom geen beschikking meer wordt afgegeven voor jeugdhulp in de vorm van ZIN. De kernpartner beschikt namelijk over de expertise welke jeugdhulp nodig is voor een jeugdige. Het is dan ook lastig voor het OKT om vooruitlopend op de te leveren jeugdhulp dat vast te stellen in een beschikking, aldus verweerder.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond van eiser slaagt. Na een aanvraag om jeugdhulp op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet dient een besluit te volgen (artikel 4:13 van Pro de Awb). Dit besluit moet zorgvuldig zijn voorbereid (zie artikel 3.2 en verder van de Awb) en deugdelijk gemotiveerd (artikel 3:46 en Pro 7:12 van de Awb). Volgens de Jeugdwet is het de verantwoordelijkheid van verweerder om vast te stellen welke jeugdhulp nodig is in aard en omvang en in welke vorm, ZIN of een pgb. Dat betekent concreet dat wanneer het OKT jeugdhulp in de vorm van ZIN toekent aan een betrokkene, het OKT een beschikking dient af te geven aan de betrokkene met daarin vermeld wat de aard en de omvang is van de toegekende jeugdhulp. Een beschikking afgeven dient de rechtsbescherming. Het daarin vermelden wat de aard en omvang van de jeugdhulp is, dient de rechtszekerheid. Verweerder mag deze verantwoordelijkheid niet op de kernpartner afschuiven. Dat het OKT samenwerkt met kernpartners vanuit het oogpunt van professionaliteit en kennis bij de kernpartner over de benodigde jeugdhulp is begrijpelijk en aanvaardbaar, maar het OKT is degene die verantwoordelijk is en blijft voor het vaststellen van de aard, omvang en vorm daarvan in een beschikking, zo nodig in overleg met de kernpartner waar de jeugdige naar verwezen wordt.
7.4.
Voorts kan de rechtbank verweerder niet volgen in het standpunt dat de kernpartner aan zet is op het moment dat de jeugdige op de wachtlijst komt te staan. Het aanspreekpunt voor jeugdhulp is verweerder in de hoedanigheid van het OKT en het OKT blijft verantwoordelijk voor de continuïteit van de jeugdhulp. De kernpartner is de uitvoerende partij en gaat over het aanbieden en daadwerkelijk uitvoeren van de jeugdhulp. Verweerder had in dit geval waarin sprake was van een onderbreking van de jeugdhulp wegens een wachtlijst, de regie dan ook moeten terugpakken door contact op te nemen met de kernpartner over de stand van zaken en te onderzoeken welke alternatieve jeugdhulp op dat moment wel beschikbaar was om de periode op de wachtlijst te overbruggen. Vervolgens is het aan verweerder in de hoedanigheid van het OKT om daarover een beschikking af te geven.
Stappenplan
8.1.
Eiser heeft voorts aangevoerd dat het stappenplan niet zorgvuldig is doorlopen door verweerder. Deze grond slaagt ook. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat bij een aanvraag voor jeugdhulp verweerder het stappenplan moet doorlopen. [8] Dit stappenplan houdt het volgende in:
  • stap 1: vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is;
  • stap 2: vaststellen of zich opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voordoen en zo ja, welke dat zijn;
  • stap 3: bepalen welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
  • stap 4: onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden;
  • stap 5: tot slot dient dan te worden bepaald welke voorziening nodig is.
8.2.
Verweerder heeft de afwijzing van informele jeugdhulp gebaseerd op het perspectiefplan. Daaruit blijkt dat stap 1 en stap 2 inzichtelijk zijn doorlopen. Als hulpvraag (stap 1) is vastgesteld: het vinden van een geschikte vervolgplek voor eiser. Zo lang eiser op de wachtlijst staat, willen zijn ouders met een pgb zelf de jeugdhulp bieden. Hieruit blijkt dus dat de hulpvraag is gericht op jeugdhulp gedurende de periode dat eiser op de wachtlijst staat bij [locatie 1] . Stap 2 “Is er sprake van opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen of stoornissen en zo ja, welke?” is ook voldoende in kaart gebracht. De vastgestelde diagnoses zijn genoemd en de beperkingen die eiser ervaart, zijn weergegeven. Zo maakt eiser moeilijk contact en het aanleren van vaardigheden is zeer complex. Hij is onvoldoende zelfredzaam en heeft veel begeleiding, sturing en herhaling nodig. Hij laat vaak agressie zien, slaat met zijn hoofd tegen de muur en heeft moeite met het verwerken van prikkels.
8.3.
De rechtbank ziet echter de stappen 3 tot en met 5 niet terug in het perspectiefplan. Deze zijn niet op een inzichtelijke wijze doorlopen. Er is slechts een uitgebreide beschrijving gegeven van hoe het met eiser gaat sinds hij thuis zit. Echter, welke jeugdhulp op dat moment nodig was voor eiser omdat hij op de wachtlijst was geplaatst, is niet vastgesteld. Wat in elk geval ontbreekt, is de vertaalslag van de onderzoeksbevindingen naar de benodigde jeugdhulp. Wel zijn resultaten dan wel doelen benoemd die de ouders met eiser willen bereiken. Daarbij gaat het om:
  • een passende dagbesteding, als vervolg op het [locatie 2] ;
  • ontvangt zorg en ondersteuning op de momenten dat hij dit nodig heeft;
  • ontvangt hulp van vertrouwde mensen uit zijn omgeving;
  • wordt geholpen en gestimuleerd in de dagelijkse zorg, aan/uitkleden, wassen, eten, toilet;
  • ontvangt ondersteuning, begeleiding en stimulering wanneer nodig. Er is continu zicht op hem en hulp beschikbaar indien nodig;
  • heeft een stabiele en veilige omgeving waarin hij zich kan ontwikkelen en zich vertrouwd voelt.
Hieruit blijkt niet welke jeugdhulp per doel noodzakelijk is in aard en omvang (stap 3) om dit doel te bereiken. In de besluitvorming heeft verweerder dit ook niet vastgesteld. Ook voor het verdere doorlopen van het stappenplan (stap 4 en stap 5) is nodig dat duidelijk is welke jeugdhulp nodig is.
(Boven)gebruikelijke zorg (stap 4)
9.1.
Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar welke zorg onder de ouderlijke zorgplicht valt en welke niet. Met andere woorden is er sprake van bovengebruikelijke zorg gelet op de leeftijd en de beperkingen van eiser. Als hiervan sprake is, had dus informele jeugdhulp moeten worden toegekend, te leveren door moeder, aldus eiser.
9.
9.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de zorg voor eiser volledig onder de ouderlijke verantwoordelijkheid valt en dat dus geen informele jeugdhulp hoeft te worden toegekend aan eiser. Op zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat het OKT voor bovengebruikelijke zorg geen jeugdhulp meer toekent zolang er sprake is van ontwikkeling bij een jeugdige. Ook is toegelicht dat het toekennen van informele jeugdhulp in de vorm van een pgb – zoals verweerder dat voorheen wel deed – financieel niet langer haalbaar is binnen de daarvoor beschikbare budgetten bij de gemeente.
9.3.
Ook op dit punt kan de rechtbank verweerder niet volgen en slaagt de beroepsgrond van eiser dat verweerder een onvolledig onderzoek heeft verricht. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom de zorg volledig valt onder de ouderlijke verantwoordelijkheid. [9] Met andere woorden waarom de zorg voor eiser volledig moet worden gezien als gebruikelijke zorg. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder heeft aangesloten bij de Indicatiewijzer voor de beoordeling wat gebruikelijke zorg is. Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk dat eiser veel meer zorg nodig heeft dan wat gebruikelijk is bij een kind van zijn leeftijd volgens de Indicatiewijzer. In welke mate dat zo is, blijkt niet uit het perspectiefplan en evenmin uit de besluitvorming. Wel blijkt uit het perspectiefplan dat ouders met elkaar goed overweg kunnen, dat familie veel helpt, dat vader weer bij moeder is gaan wonen en dat het extra paar handen heel fijn is, dat ouders het Hanen-ouderprogramma hebben doorlopen, dat zij de PRT principes [10] hebben aangeleerd, dat sinds eiser volledig thuis zit de zorg vooral op moeder terechtkomt, dat moeder goed zicht heeft op het gedrag van eiser en dat zij probeert zo goed mogelijk bij hem aan te sluiten. De conclusie van verweerder dat eisers moeder voldoende eigen kracht heeft om de zorg zelf te bieden, kan verweerder nog niet trekken als nog niet is vastgesteld welke zorg eiser nodig heeft in de thuissituatie, welk deel daarvan als gebruikelijk moet worden opgevat en welk deel als bovengebruikelijk. Eisers moeder heeft een zorgmomentenoverzicht overgelegd. Volgens verweerder valt alle zorg onder de ouderlijke verantwoordelijkheid. Verweerder heeft echter de door eisers moeder verleende hulp niet inzichtelijk afgezet tegen de Indicatiewijzer en verweerder heeft evenmin onderbouwd waarom er sprake is van gebruikelijke hulp, terwijl eisers moeder met het zorgmomentenoverzicht heeft getracht duidelijk te maken hoeveel extra hulp zij moet bieden aan eiser bij dagelijkse handelingen. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt, naar elke zorghandeling is gekeken, blijkt niet uit het dossier. Verweerders stelling dat voor bovengebruikelijke zorg geen jeugdhulp meer wordt toegekend zolang sprake is van ontwikkeling bij een jeugdige, volgt niet uit de regelgeving. Ook kan het niet zo zijn dat wanneer vaststaat dat eiser specialistische jeugdhulp nodig heeft, deze jeugdhulp (tijdelijk) niet meer nodig is omdat hij op een wachtlijst staat. Dat betekent in dit geval dat verweerder dient te onderzoeken in hoeverre sprake is van bovengebruikelijke zorg bij eiser.
9.4.
Dit brengt mee dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering, zodat dit besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
9.5.
Het beroep is reeds hierom gegrond. De overige beroepsgrond over het recht op arbeid behoeft daarom geen bespreking.

Conclusie

10.1.
Het voorgaande betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
10.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzitter, mr. H.J.M. Baldinger en
mr. J.A.C.M. Nielen, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
Voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Voetnoten

1.Medisch Orthopedagogisch Centrum.
2.Applied Behavior Analysis (toegepaste gedragsanalyse).
3.Algemene dagelijkse levensverrichtingen
4.Voor meer uitleg over het stappenplan verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 8.1. van deze uitspraak.
5.Geldig tot 1 juli 2025.
6.Uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024 met nummers ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, ECLI:NL:CRVB:2024:1097.
7.Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen.
8.Zie de uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 juli 2025, met nummer ECLI:NL:CRVB:2025:970
10.Pivotal Response Treatment