ECLI:NL:RBAMS:2026:1192

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
AMS 25/2540 V
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:55b AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen ontbreken proceskostenveroordeling in WOO-zaak

Opposant diende meerdere WOO-verzoeken in bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Na het niet tijdig beslissen op deze verzoeken stelde opposant beroep in bij de rechtbank, waarbij hij tevens griffierecht en proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, veroordeelde het college tot vergoeding van het griffierecht en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Tegen deze beroepsuitspraak stelde opposant verzet in, gericht op het ontbreken van een oordeel over de proceskostenvergoeding en de afwijzing van de schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond was voor het ontbreken van een proceskostenveroordeling, maar niet voor de afwijzing van de schadevergoeding. De rechtbank besloot de beroepsuitspraak gedeeltelijk te laten vervallen en alsnog uitspraak te doen over de proceskostenvergoeding.

De rechtbank stelde vast dat de proceskostenvergoeding terecht was toe te kennen aan opposant, vastgesteld op € 467,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De overige onderdelen van de beroepsuitspraak bleven ongewijzigd. De uitspraak werd gedaan door rechter L.A.L. Wiersinga op 6 februari 2026.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot betaling van proceskostenvergoeding, terwijl de rest van de beroepsuitspraak in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2540 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 op het verzet van

[opposant], uit Amsterdam, opposant [1]
(gemachtigde: [naam] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 juli 2025 in het geding tussen
opposant
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, geopposeerde [2]
(gemachtigde: mr. S. Johannes-Daha).

Inleiding

1. Op 15 januari 2025 heeft opposant meerdere WOO-verzoeken ingediend bij geopposeerde. [3]
2. Op 18 april 2025 heeft opposant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn WOO-verzoeken. [4] Opposant heeft ook verzocht om vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding.
3. In het besluit van 14 juli 2025 heeft geopposeerde op de WOO-verzoeken van opposant beslist – in het kort – een aantal (passages) van de door opposant gevraagde informatie niet openbaar te maken en een deel in het geheel niet openbaar te maken.
4. Bij e-mail van 15 juli 2025 heeft opposant de rechtbank bericht dat hij zijn verzoeken om griffierecht en proceskostenvergoeding handhaaft en aanvullend verzoekt om schadevergoeding van de staat wegens overschrijding van de redelijke termijn door het te laat uitspraak doen door de rechtbank.
5. In de uitspraak van 31 juli 2025 (de beroepsuitspraak) heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard, geopposeerde veroordeelt om aan opposant het griffierecht te vergoeden en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Opposant heeft tegen de beroepsuitspraak verzet ingesteld en verzocht te worden gehoord.
7. De rechtbank heeft het verzet op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van geopposeerde.

Beoordeling door de rechtbank over het verzet

8. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het verzet van opposant tegen de beroepsuitspraak gegrond is.
9. De rechter heeft de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen. Een voorwaarde is dat er niet getwijfeld kan worden aan het eindoordeel. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder voorafgaande zitting. [5]
10. Opposant heeft verzetsgronden gericht tegen (het achterwege blijven van) de nevendicta in de beroepsuitspraak, namelijk over de schadevergoeding en de proceskosten. Opposant heeft geen verzetsgronden gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
11. Als iemand tegen een buiten-zittinguitspraak verzet instelt, moet de rechtbank beoordelen of zij in de beroepszaak terecht heeft geoordeeld dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Richten de verzetsgronden zich niet tegen het eindoordeel, maar uitsluitend tegen nevendicta, dan staat de vraag centraal of (het ontbreken van) het oordeel van de rechtbank over die nevenvorderingen buiten redelijke twijfel stond. Dat laatste is in deze verzetszaak aan de orde.
12. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is voor wat betreft het ontbreken van een oordeel over de proceskostenvergoeding. De andere verzetsgrond slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het verzoek om schadevergoeding terecht buiten zitting afgedaan?
13. Opposant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de verzochte schadevergoeding heeft afgewezen in een buiten-zittinguitspraak. Volgens hem bestaat nog geen rechtspraak over de vraag of de redelijke termijn wordt overschreden wanneer de rechtbank niet binnen de termijn van acht weken uit artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb uitspraak doet. Opposant doelt hierbij op de redelijke termijn uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij betoogt dat daarom niet buiten redelijke twijfel stond dat de schadevergoeding moest worden afgewezen en dat hij de mogelijkheid had moeten krijgen om deze principiële discussie tijdens een zitting te voeren.
14. De rechtbank overweegt dat een verzoek om schadevergoeding in beginsel buiten zitting kan worden afgedaan. Op een dergelijk verzoek en de behandeling daarvan is artikel 8:54 van Pro de Awb namelijk van overeenkomstige toepassing. [6] Uit de beroepsuitspraak volgt dat de rechtbank op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb uitspraak heeft gedaan buiten zitting in de gehele zaak. Dat geldt dus ook voor het verzoek om schadevergoeding.
15. In dit geval mocht de rechtbank het verzoek om schadevergoeding ook buiten zitting afdoen. Anders dan opposant heeft gesteld, is dit namelijk geen onderwerp waarover geen (richtinggevende) rechtspraak bestaat. Vaste rechtspraak bepaalt dat wettelijke uitspraaktermijnen, zoals die uit artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb, slechts termijnen van orde zijn en dat alleen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als een procedure in zijn geheel langer dan twee jaar heeft geduurd. [7] Dat laatste geldt óók bij een procedure zoals hier aan de orde. Deze lijn is duidelijk terug te vinden in het oordeel over de schadevergoeding in (rechtsoverweging 8 van) de beroepsuitspraak. Dat opposant vindt dat rechtbanken verantwoordelijkheid moeten nemen voor het niet voldoen aan wettelijke uitspraaktermijnen en het principieel oneens is met deze vaste rechtspraak rechtvaardigt niet dat de zaak niet buiten zitting behandeld had moeten worden. Opposant heeft geen verdere omstandigheden aangevoerd die tot een andere conclusie leiden.
16. De rechtbank betreurt dat zij soms niet aan wettelijke uitspraaktermijnen kan voldoen. Desondanks is zij gelet op het voorgaande van oordeel dat de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in deze zaak buiten redelijke twijfel stond en terecht buiten zitting is afgedaan. Deze verzetsgrond slaagt dus niet. De beroepsuitspraak kan in zoverre dus in stand blijven.
Is terecht geen proceskostenvergoeding toegekend?
17. Opposant heeft gesteld dat de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding.
18. De rechtbank overweegt dat het beroep van opposant gericht was tegen het uitblijven van een beslissing op zijn WOO-verzoek en daarvan was sprake, zodat het beroep in die zin terecht is ingesteld. Dat het beroep vervolgens niet-ontvankelijk is verklaard, had als reden dat geopposeerde inmiddels wel een besluit op het WOO-verzoek had genomen. De rechtbank had daarom, op verzoek van opposant, moeten beoordelen of aanleiding bestond om een proceskostenvergoeding toe te kennen. In de beroepsuitspraak ontbreekt een dergelijk oordeel. Dit maakt dat de beroepsuitspraak in zoverre geen stand kan houden. De rechtbank verklaart het verzet daarom gegrond voor wat betreft het ontbreken van een proceskostenveroordeling.
19. Omdat het verzet alleen ziet op de nevendicta zal de rechtbank niet de hele beroepsuitspraak laten vervallen, maar alleen voor zover daarbij artikel 8:75 van Pro de Awb onjuist is toegepast. [8] De rechtbank zal in deze uitspraak alsnog beslissen op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding. Ter zake daarvan hervat de rechtbank daarom het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat de beroepsuitspraak werd gedaan.

Beoordeling door de rechtbank over het beroep

20. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het deel van het beroep dat op de proceskostenvergoeding ziet.
21. De rechtbank had opposant wel een proceskostenvergoeding voor het indienen van het beroep moeten toekennen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand alsnog vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 omdat de zaak een licht gewicht heeft). Het gaat om een zaak van licht gewicht omdat het beroep in beginsel slechts betrekking had op de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Conclusie en gevolgen

22. Het verzet is gegrond en de beroepsuitspraak vervalt gedeeltelijk, namelijk voor zover ten onrechte geen oordeel is gegeven over de proceskostenvergoeding. De rechtbank beslist in deze uitspraak alsnog dat geopposeerde de proceskosten van opposant in beroep moet vergoeden. De overige verzetsgronden slagen niet. Dat betekent dat de beroepsuitspraak voor het overige in stand blijft.
23. Nu het verzet gegrond wordt verklaart, veroordeelt de rechtbank geopposeerde in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 omdat de zaak een licht gewicht heeft). Het gaat om een zaak van licht gewicht omdat het verzet alleen gericht is tegen de nevendicta van de beroepsuitspraak en geen herbeoordeling van de hoofdzaak of nader onderzoek vergde.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart de uitspraak van 31 juli 2025 vervallen voor zover daarbij artikel 8:75 van Pro de Awb onjuist is toegepast;
- laat de uitspraak van 31 juli 2025 voor het overige in stand;
- veroordeelt geopposeerde tot betaling van de door opposant gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 467,-;
- veroordeelt geopposeerde tot betaling van de door opposant gemaakte proceskosten in verzet tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Met geopposeerde wordt bedoeld de wederpartij in de verzetsprocedure die zich verweert tegen het door de opposant ingestelde verzet.
3.Een verzoek op grond van de Wet open overheid (WOO).
4.Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Artikel 8:54 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb.
6.Artikel 8:94, eerste lid, van de Awb.
7.Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, Centrale Raad van Beroep (CRvB) 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:237 en Rb. Amsterdam 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9698.
8.Naar analogie van: CRvB 29 april 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5994.