ECLI:NL:CRVB:2020:237
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering ondanks melding toegenomen klachten
Appellant heeft bij het UWV een melding gedaan van toegenomen medische klachten, waarop het UWV op 24 januari 2019 besloot de arbeidsongeschiktheidsklasse ongewijzigd te laten. Het UWV stelde dat appellant geen begin van bewijs had geleverd voor een toename van beperkingen en voerde daarom geen nader onderzoek uit.
Appellant stelde dat dit besluit niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon worden aangemerkt en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat de termijn een termijn van orde is.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat het besluit van het UWV een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is, ondanks mogelijke motiveringsgebreken. De Raad oordeelde dat appellant geen belang meer had bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en dat het verzoek om schadevergoeding terecht werd afgewezen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, omdat een nieuw medisch onderzoek niet tot een andere uitkomst zou leiden.
De Raad verklaarde het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2019 ongegrond en bevestigde de aangevallen uitspraken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd aan het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.