ECLI:NL:RBAMS:2026:123

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13/272535-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot criminele organisatie en verdovende middelen

Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België. De zaak betreft een verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon, geboren in 1984, die wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 24 december 2025 gehouden, waarbij de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon aanwezig waren. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De verdediging voerde aan dat de grondslag van de verdenking onvoldoende was en dat er geen bewijs was voor de beschuldigingen. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB voldoende informatie bevatte om de opgeëiste persoon te informeren over de beschuldigingen en dat de Belgische autoriteiten niet verplicht waren om een Europees Onderzoeksbevel uit te vaardigen. De rechtbank concludeerde dat de overlevering kon worden toegestaan, omdat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en er garanties zijn dat hij na overlevering in Nederland zijn straf kan ondergaan.

De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in België beoordeeld en vastgesteld dat, hoewel er zorgen zijn over de algemene detentieomstandigheden, de specifieke garanties voor de opgeëiste persoon voldoende zijn om een onmenselijke behandeling te voorkomen. Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten de overlevering toe te staan, omdat er geen weigeringsgronden waren die zich daartegen verzetten. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/272535-25
Datum uitspraak: 7 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 6 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 maart 2025 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek van 6 maart 2025. In het A-formulier staat dat dit bevel door de
examining magistrate at the court of first instance of East Flanders, Dendermonde section,is uitgevaardigd.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
De raadsman heeft aangevoerd dat de grondslag van de verdenking te summier dan wel onvoldoende genoegzaam is omschreven. De verdenking is slechts op één informatiebron gebaseerd, terwijl de opgeëiste persoon ontkent iets met de feiten te maken te hebben. Verder wordt in de feitomschrijving geen enkel andersoortig bewijs of bevinding genoemd. Daarnaast ziet de verdenking op deelname aan een criminele organisatie, zonder dat wordt genoemd of geduid waarom van een organisatie sprake zou zijn. Gelet op de summiere grondslag van de verdenking en de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon had het meer in de rede gelegen om een Europees Onderzoeksbevel (EOB) uit te vaardigen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan de Belgische autoriteiten te vragen waarom zij geen EOB hebben uitgevaardigd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Het is duidelijk waar de verdenking op ziet en het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van strafrechtelijk onderzoek - met de omschrijving in het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De verdenking ziet op betrokkenheid bij de invoer, uitvoer en het vervoer van verdovende middelen in crimineel verband in [plaats] in de periode van 1 januari 2024 tot en met 17 juli 2024. Volgens de feitomschrijving hebben meerdere personen daaraan deelgenomen en heeft de opgeëiste persoon een centrale rol gespeeld binnen de criminele organisatie die hij ook vanuit Nederland heeft aangestuurd. Ten aanzien van wat de raadsman verder naar voren heeft gebracht, merkt de rechtbank op dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van verdenking niet hoeft te vermelden. Het is namelijk niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer .
Gelet op het voorgaande alsmede het gegeven dat het aan de Belgische autoriteiten is om te bepalen of zij kiezen voor een rechtshulpverzoek in de vorm van een EOB of een EAB, ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover vragen te (laten) stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Eerste Substituut-procureur des Konings te Dendermonde heeft op 8 december 2025 de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op de feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
- het onderzoek is aangevangen in België;
- het bewijs bevindt zich in België;
- de medeverdachten worden in België vervolgd;
- het openbaar ministerie is niet voornemens zelf de opgeëiste persoon te gaan vervolgen voor de in het EAB genoemde strafbare feiten.
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat in Nederland een strafvervolging gaande is die op soortgelijke feiten ziet. Hiertoe heeft de raadsman een screenshot overgelegd van ‘mijn strafdossier’ waarop het parketnummer 10/155576-24 is te zien.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie genoemde argumenten vormt het gegeven dat het feit wordt geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Het standpunt van de raadsman dat de opgeëiste persoon in Nederland zou worden vervolgd voor soortgelijke feiten, maakt dit niet anders.

7.Artikel 9 OLW; ne bis in idem

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9 OLW, omdat er in Nederland een strafvervolging aanhangig is voor soortgelijke feiten. Het is daarom niet uit te sluiten dat sprake is van een overlap met de feiten in het EAB. Hiertoe heeft de raadsman een screenshot overgelegd waarop volgens hem is te zien dat er een Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon bestaat die is geregistreerd onder het parketnummer 10/155576-24.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een strafvervolging in Nederland voor de feiten die in het EAB worden genoemd.
De rechtbank overweegt dat de raadsman niet met objectieve stukken heeft onderbouwd dat in Nederland een strafvervolging aanhangig is voor dezelfde feiten als in het EAB. De enkele vermelding van een parketnummer in “mijn strafdossier” van de opgeëiste persoon, zonder verdere informatie over de aard van de verdenking en de stand van het onderzoek, is daarvoor onvoldoende. Ook het Uittreksel justitiële documentatie betreffende de opgeëiste persoon biedt geen aanknopingspunten voor het gevoerde verweer. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen sprake is van een ne bis in idem-situatie en verwerpt het verweer.

8.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

De raadsman heeft betoogd dat de wantoestanden in de Belgische gevangenissen niet zijn verholpen. Hiertoe verwijst hij naar een brief van de Belgische advocaat van de opgeëiste persoon, mr. Menzo van Besauw, naar nieuwsitems op Youtube en krantenartikelen en naar rapporten van de Belgische Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (CTRG) en het Comité voor de Preventie van Foltering van de Raad van Europa (CPT). Hieruit blijkt volgens de raadsman dat sprake is van ernstige overbevolking, grondslapers en dat cipiers alleen nog maar de meest essentiële taken uitvoeren. Hierdoor is niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon voldoende tijd buiten de cel kan doorbrengen. Er dient daarom geen gevolg te worden gegeven aan het EAB. Subsidiair moet er nadere informatie komen over de detentieomstandigheden.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegeven individuele detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon heeft weggenomen. De detentieomstandigheden vormen daarom geen beletsel voor de overlevering.
De rechtbank stelt voorop dat zij bij uitspraak van 14 december 2022 in een andere zaak heeft geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. [5]
Bij brief van 16 december 2025 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:

1.In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?

[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.

2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?

België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de
gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [6] De rechtbank is zich bewust van de zorgwekkende detentieomstandigheden en daarom is ook een algemeen gevaar aangenomen. Het vastgestelde algemene gevaar voor de detentie-instellingen in België ziet op de problematiek als gevolg van structurele overbevolking die onder meer leidt tot zogeheten grondslapers. Dat deze problematiek nog steeds actueel is, wordt bevestigd in de door de raadsman overgelegde stukken. De rechtbank is echter, gelet op de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie over de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden, van oordeel dat voor hem na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling. Het gevaar van een dergelijke behandeling is immers met de op hem toegesneden garantie voor de opgeëiste persoon weggenomen.
Op dit moment bestaat dus geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en de naleving van de – hiervoor beoordeelde – door de Belgische autoriteiten verstrekte individuele garantie.

8.Aanhoudingsverzoek met betrekking tot artikel 36 OLW

De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden omdat sprake is van een strafzaak in Nederland met parketnummer 10/155576-24 en ten aanzien van de werking van artikel 36 OLW een prejudiciële vraag is gesteld [7] . Op die prejudiciële vraag is vooralsnog geen antwoord gekomen. Tot hier duidelijkheid over is, dient de behandeling van het EAB te worden aangehouden.
De rechtbank overweegt dat de prejudiciële vraag door het Hof van Justitie van de Europese Unie bij arrest van 8 december 2022 [8] al is beantwoord. De rechtbank ziet dus geen aanleiding de behandeling ter zitting hiervoor te schorsen en wijst het aanhoudingsverzoek daarom af.

9.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
7.Rb. Amsterdam 22 juli 2022 ECLI:NL:RBAMS:2022:4252 (HvJ EU 28 april 2022, C-804/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:307 (C en CD (Obstacles juridiques à l’exécution d’une décision de remise).
8.ECLI:EU:C:2022:964.