ECLI:NL:RBAMS:2026:1350

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
13/299704-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentiegaranties en weigeringsgrond

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 januari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen voor een persoon verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en opzettelijke brandstichting. De opgeëiste persoon, met Nederlandse nationaliteit en woonachtig in Nederland, beriep zich op de terugkeergarantie uit artikel 6 OLW Pro, waarbij België garandeerde dat een opgelegde vrijheidsstraf in Nederland kan worden uitgezeten.

De raadsman voerde aan dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 13 OLW Pro, omdat de feiten deels in Nederland zouden zijn gepleegd en de strafvervolging van medeverdachten in Nederland plaatsvindt. De rechtbank oordeelde echter dat de strafrechtelijke procedure in België is aangevangen, het bewijs zich daar bevindt en het Nederlandse OM niet voornemens is de opgeëiste persoon te vervolgen. De minderjarige medeverdachten worden in Nederland berecht, wat een andere situatie betreft.

Verder werd een detentiegarantie van België beoordeeld, waarin werd verzekerd dat de opgeëiste persoon onder humane omstandigheden zal worden vastgehouden conform internationale standaarden. De rechtbank vond deze garantie voldoende om het algemene gevaar van onmenselijke detentie in België weg te nemen. Het verzoek tot schorsing van de gevangenhouding tot aan de feitelijke overlevering werd afgewezen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en stond de overlevering toe.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon naar België toe en wijst het verzoek tot schorsing van de gevangenhouding af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/299704-25
Datum uitspraak: 4 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 november 2025 door een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.Q. Zaat, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek van 8 november 2025, afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (referentie 2025/193).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;opzettelijke brandstichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Procureur des Konings van het Parket van de Procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 19 december 2025 de volgende garantie gegeven:
“Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees Aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverd onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland wordt overgebracht teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ). ”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

6.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt primair de overlevering op grond van artikel 13 OLW Pro te weigeren, omdat de feiten in ieder geval gedeeltelijk op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden. De strafvervolging van de twee medeverdachten is door Nederland overgenomen. Hierdoor bevindt het strafdossier zich ook in Nederland. Verder heeft de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit, is hij woonachtig in Nederland en bestaat er geen enkele binding tussen de opgeëiste persoon en België. Het is in het belang van een goede rechtsbedeling om de opgeëiste persoon in Nederland te vervolgen. Het verschil tussen de opgeëiste persoon en zijn medeverdachten ten aanzien van het detentieregime is bovendien niet zonder meer te rechtvaardigen.
Subsidiair verzoekt de raadsman de zaak aan te houden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of zij nog steeds de overlevering van de opgeëiste persoon wensen of dat het wenselijk wordt geacht dat de Nederlandse officier van justitie de strafvervolging overneemt.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro niet van toepassing is. Zowel het EAB als het A-formulier vermelden als pleegplaats Borgerhout in België. Indien de rechtbank hier anders over oordeelt, verzoekt de officier van justitie subsidiair af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro. Het onderzoek is aangevangen in België en de slachtoffers wonen in België. Het feit dat de opgeëiste persoon in Nederland woont en in Nederland is aangehouden, is niet relevant. Verder heeft het Belgische openbaar ministerie er bewust voor gekozen om alleen de strafvervolging van de medeverdachten over te dragen aan Nederland, omdat, in tegenstelling tot de opgeëiste persoon, de twee medeverdachten minderjarig zijn. Het Nederlandse openbaar ministerie is verder niet voornemens om de opgeëiste persoon te vervolgen. De weigeringsgrond van artikel 13 staat Pro niet aan overlevering in de weg.
6.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro is te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De opgeëiste persoon en de medeverdachten hadden volgens de feitomschrijving bij hun aanhouding op Nederlands grondgebied, welke aanhouding volgens de verdenking plaatsvond tijdens hun vlucht direct na de in België gepleegde feiten, een vuurwapen, patronen, bivakmutsen en meerdere gsm-toestellen voorhanden. Uit de in het EAB genoemde strafbepalingen uit de Belgische Wapenwet leidt de rechtbank af dat de verdenking mede ziet op het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De rechtbank stelt daarom vast dat de feiten gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd.
Het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, geeft echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro toe te passen. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat het strafrechtelijke onderzoek is aangevangen in België, het bewijs in de zaak van de opgeëiste persoon en de slachtoffers zich in België bevinden en het Nederlandse openbaar ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon te vervolgen. Weliswaar worden de medeverdachten in Nederland berecht, maar dat laat zich verklaren door het feit dat de medeverdachten, anders dan de opgeëiste persoon, minderjarig zijn. Hierdoor ligt een gelijktijdige behandeling ook niet voor de hand, omdat de medeverdachten naar alle waarschijnlijkheid door de kinderrechter zullen worden berecht. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank acht zich voldoende ingelicht en ziet geen reden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

7.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

7.1
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [5]
Bij brief van 2 januari 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

7.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de detentiegarantie het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in België voor de opgeëiste persoon niet wegneemt. Vanwege de omstandigheden die maar aan de orde blijven komen in de Belgische gevangenissen en nog steeds niet verholpen zijn, kan de afgegeven garantie niet voldoende zijn. Ter onderbouwing hiervan verwijst de raadsman naar een nieuwsartikel van lokale krant ‘Het Laatste Nieuws’ en een onderzoek van de orde van Vlaamse balies, waarin wordt geschreven over overbevolking en grondslapers.
7.3
Standpunt van de officier van justitie
Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 2 januari 2026 [6] stelt de officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de detentiegarantie het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in België voor de opgeëiste persoon wegneemt.
7.4
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 2 januari 2026. [7] De rechtbank is, gelet op de daarin gedane toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).
Het nieuwsbericht en het onderzoek dat de raadsman heeft overgelegd leiden niet tot een ander oordeel. Deze gegevens bevestigen het eerder door deze rechtbank vastgestelde algemene gevaar dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Juist vanwege dat algemene gevaar heeft de rechtbank, alvorens de overlevering kan worden toegestaan, een individuele detentiegarantie nodig waarmee het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. De raadsman heeft geen objectieve informatie overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat in het specifieke geval van de opgeëiste persoon de gegeven detentiegarantie niet kan worden nageleefd.
Artikel 11 OLW Pro staat niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

8.Schorsingsverzoek

8.1
Standpunt van de raadsman
Voor het geval de rechtbank de overlevering toestaat heeft de raadsman een verzoek gedaan om de schorsing van de gevangenhouding te laten voortduren tot het moment waarop de feitelijke overlevering plaatsvindt.
8.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen het schorsingsverzoek van de raadsman. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd waarom in het geval van de opgeëiste persoon sprake is van bijzondere omstandigheden die de schorsing zouden rechtvaardigen.
8.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van de gevangenhouding tot aan het moment dat de feitelijke overlevering plaatsvindt af. In het algemeen moet worden aangenomen dat het vluchtgevaar toeneemt na een uitspraak waarin de overlevering wordt toegestaan. Een dergelijke schorsing is dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. In het geval van de opgeëiste persoon is niet gebleken van een dergelijk uitzonderlijk geval.

9.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De 2, 5, 6 en 7 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
WIJST AFhet verzoek tot schorsing van het bevel gevangenhouding tot aan het moment van feitelijke overlevering.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.