ECLI:NL:RBAMS:2026:1351

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
13/167878-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 3 OpiumwetArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 januari 2026 de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Gliwice, Polen, gericht op de overlevering van een Poolse verdachte zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De procedure startte op 18 december 2025, waarbij de verdachte verscheen en werd bijgestaan door een raadsman en tolk.

In een tussenuitspraak van 31 december 2025 werd het onderzoek geschorst om aanvullende vragen te stellen over de toepassing van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), dat een weigeringsgrond kan vormen indien de verdachte niet correct is opgeroepen. De uitvaardigende autoriteit bevestigde dat de oproep was verzonden naar het door de verdachte opgegeven adres.

De raadsman betwistte de juistheid van deze mededeling, maar de rechtbank oordeelde dat op basis van het vertrouwensbeginsel en eerdere aanwezigheid van de verdachte bij een zitting, de oproeping als correct kan worden beschouwd. De rechtbank zag daarom af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro en stond de overlevering toe.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. De uitspraak is onherroepelijk en de overlevering wordt toegestaan voor de in het EAB omschreven feiten.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks mogelijke bezwaren onder artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/167878-25 (E‌AB I)
Datum uitspraak: 27 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 mei 2025 door
the Regional Court in Gliwice,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] , Polen,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 18 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 18 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 31 december 2025 [3]
Bij tussenuitspraak van 31 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vraag in het kader van de toetsing aan artikel 12 OLW Pro voor te leggen.
Zitting van 21 januari 2026
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 21 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 31 december 2025

In de tussenuitspraak van 31 december 2025 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over onder meer de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van de feiten (onder 4) en over de toetsing aan artikel 11 OLW Pro in combinatie met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU (onder 5). Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 3.1 van de tussenuitspraak van 31 december 2025. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Naar aanleiding van een aanvullende vraag van het openbaar ministerie van 31 december 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 7 januari 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"In response to your request as below, please be advised, that the correspondence was sent to the convict [de opgeëiste persoon] at the address he provided on 4 July 2022 i.e. [adres] [plaats] ."
4.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de enkele mededeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit, dat de oproep is verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, onvoldoende is. Dit moet met stukken worden onderbouwd en dat is hier niet gebeurd. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. In de tussenuitspraak van 31 december 2025 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen. Uit de aanvullende informatie van 7 januari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon ook is opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De overlevering kan worden toegestaan.
4.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 31 december 2025 al geoordeeld dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en motiveert dat als volgt.
In de tussenuitspraak van 31 december 2025 heeft de rechtbank overwogen dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de eerste zitting op 4 juli 2022 en dat hij is gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven, alsook de gevolgen als hij dat niet zou doen. Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie van 7 januari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op het door hem in het kader van de strafprocedure opgegeven adres is opgeroepen voor de zitting(en) die na 4 juli 2022 in de hoofdprocedure heeft/hebben plaatsgevonden. Op basis van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is een onderbouwing door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet vereist.
Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
De rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Gliwice,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.