3.1Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon in zijn verdedigingsrechten is geschaad in beide instanties, met name ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het arrest van de
Cluj Court of Appealvan
14 april 2025 met kenmerk No. 608/A. Hij heeft zelf geen hoger beroep ingesteld, wist niets van de procedure in hoger beroep en hij is niet vertegenwoordigd door een gekozen advocaat. Daarbij kan het voornoemde arrest nooit hebben geleid tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf die is opgelegd bij het vonnis van 29 september 2023. De aanvullende informatie die is verstrekt, blijft onduidelijk. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Standpunt van de officier
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW geen beletsel vormt voor de overlevering. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de procedure die tot het vonnis van de
Cluj County Courtvan 29 september 2023 heeft geleid; Voor wat betreft de andere procedure die in 2024-2025 heeft gespeeld moet het hoger beroep getoetst worden: nu de opgeëiste persoon is gedagvaard in persoon op 14 september 2024 om voor de
Cluj Court of Appealte verschijnen, levert de weigeringsgrond van artikel 12 OLW geen problemen op. De voorwaardelijke veroordeling is blijkbaar meegenomen in die procedure en omgezet in een onvoorwaardelijke straf: in ieder geval blijkt dat van eventuele (andere) veroordelingen voor “triggerende” feiten geen sprake is geweest.
Ten aanzien van het arrest van deCluj Court of Appealvan 14 april 2025 met kenmerk No. 608/A:
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.Uit het EAB en de aanvullende informatie van 17 november 2025 volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het arrest van de
Cluj Court of Appealvan 14 april 2025 met kenmerk No. 608/A aan artikel 12 OLW toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van de Roemeense autoriteiten van
17 november 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 6 september 2024 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting in hoger beroep en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de oproep heeft ontvangen is, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, onvoldoende om de juistheid van de informatie in het EAB en de aanvullende informatie in twijfel te trekken. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.
Ten aanzien van het vonnis van deCluj County Courtvan 29 september 2023, met zaaknummer 230 en kenmerk 1710/117/2023:
Op basis van de aanvullende informatie van 17 november 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting van 30 augustus 2023 die heeft geleid tot het vonnis van 29 september 2023. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.
Bij het vonnis van 29 september 2023 is aanvankelijk een vrijheidsstraf in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd van één jaar, 9 maanden en 10 dagen, met een proeftijd van 2 jaar en 6 maanden. Bij de voornoemde beslissing van 14 april 2025 van de
Cluj Court of Appealis de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen en is voor alle in het EAB genoemde feiten een totale samengestelde gevangenisstraf van
1 jaar en 11 maanden opgelegd. Uit de aanvullende informatie van 23 december 2025 volgt dat het naar Roemeens recht mogelijk is om de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf te bevelen als gedurende de proeftijd blijkt dat de veroordeelde vóór de beslissing, waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd, andere strafbare feiten heeft gepleegd. Uit de aanvullende informatie van 23 december 2025 volgt dat de tenuitvoerlegging is bevolen vanwege de veroordeling in het arrest van de
Cluj Court of Appealvan
14 april 2025 met kenmerk No. 608/A en de omstandigheid dat de veroordeling plaatsvond binnen de proeftijd van twee jaren en zes maanden die bij vonnis van 29 september 2023 aan de opgeëiste persoon was opgelegd.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit dat ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Het proces dat tot het arrest van de
Cluj Court of Appealvan 14 april 2025 met kenmerk No. 608/A is evenwel al hierboven aan artikel 12 OLW getoetst.