ECLI:NL:RBAMS:2026:2089

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
13-242407-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de EUArt. 6, eerste lid, OLWArt. 11 OLWArt. 13 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van reëel gevaar schending grondrechten in Franse detentie

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse autoriteiten voor de overlevering van een persoon geboren in 1991. Na meerdere zittingen en tussenuitspraak werd vastgesteld dat er een individueel reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in Frankrijk onmenselijk of vernederend wordt behandeld, met name vanwege onvoldoende persoonlijke leefruimte in detentie.

De rechtbank stelde een redelijke termijn voor aanvullende informatie en ontving antwoorden van de Franse justitiële autoriteit, die echter geen concrete garanties kon geven over de leefruimte en duur van mogelijke beperkingen. De verdediging voerde aan dat deze onzekerheid het individuele gevaar bevestigt en dat overlevering geweigerd moet worden.

De officier van justitie stelde dat overlevering mogelijk is, maar de rechtbank oordeelde dat de verstrekte informatie onvoldoende is om het reële gevaar weg te nemen. De rechtbank concludeerde dat de aanvullende informatie geen wijziging van omstandigheden vormt en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling neming van het EAB. De overleveringsprocedure werd daarmee beëindigd en de geschorste overleveringsdetentie opgeheven.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens reëel gevaar op schending van grondrechten in Franse detentie en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-242407-25
Datum uitspraak: 26 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 1 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juli 2024 door de Procureur van de Republiek van de Rechtbank van Rennes (
Procureur de la République du Tribunal Judiciaire de Rennes), Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats]
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 11 november 2025
De behandeling van het EAB is op deze zitting aangevangen, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M.S. Jumelet, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst om de antwoorden op de vragen met betrekking tot de toetsing aan artikel 2 OLW Pro en artikel 11 OLW Pro af te wachten.
De zitting van 27 november 2025
De behandeling van het EAB is - met instemming van partijen – op deze zitting voortgezet in gewijzigde samenstelling, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M.S. Jumelet.
De tussenuitspraak van 11 december 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de toetsing van artikel 11 OLW Pro te vragen om een concrete, feitelijke invulling te geven aan de begrippen: ‘een korte tijd’, ‘bij gelegenheid’ en ‘in geringe mate’, teneinde een vermoedelijke schending van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU te kunnen weerleggen. [3]
Ook heeft rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 31 december 2025
De behandeling van het EAB is - met instemming van partijen – op deze zitting voortgezet in gewijzigde samenstelling, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M.S. Jumelet.
De tussenuitspraak van 8 januari 2026 [4]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten, nu met de aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing op het verzoek tot overlevering aangehouden, omdat een mogelijkheid bestond dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft hier een redelijke termijn van 30 dagen aan verbonden en heeft geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Ook heeft de rechtbank op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 12 februari 2026
De behandeling van het EAB is - met instemming van partijen – op deze zitting voortgezet in gewijzigde samenstelling, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M.S. Jumelet.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.De tussenuitspraak van 11 december 2025

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag, de inhoud en genoegzaamheid van het EAB (paragraaf 3), de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 4), en over de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (paragraaf 5). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [5]
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om af te zien van deze weigeringsgrond. Daartoe is onder meer aangevoerd dat het onderzoek is aangevangen in Frankrijk, dat de bewijsmiddelen zich daar bevinden, dat de verdovende middelen in Frankrijk in beslag zijn genomen, dat de medeverdachten in Frankrijk zijn veroordeeld, dat ten behoeve van de opgeëiste persoon een terugkeergarantie is afgegeven en dat het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van deze weigeringsgrond.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat de in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat de feiten wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.

5.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in Frankrijk

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 8 januari 2026. De overwegingen uit deze tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) op 12 januari 2026 aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten:
“1. How often do reductions in the required minimum person space of 3sq m occur? And in what case do these reductions occur?
2. If such reductions happen, for how long do they typically last?
3. How significant are these reductions in personal space? Specifically, by how much is personal space reduced when such a reduction occurs?”
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 14 januari 2026 hierop als volgt geantwoord:
“All the details that the French authorities are able to provide you with regarding Mr [de opgeëiste persoon] 's future imprisonment in France have been provided in the two letters of guarantee and in the e-mail of the 18th of December 2025 that we sent you. We are unable to make any commitments on matters beyond our control, given the changes in occupancy rates at the prison concerned and given the specific features of French regulations applicable to the calculation of accommodation capacity within French prisons.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Franse autoriteiten geen garantie kunnen geven voor een persoonlijke leefruimte van minimaal 3 m2. Bovendien is er geen concreet antwoord gegeven op de gestelde vragen over de concrete en feitelijke invulling van de begrippen: ‘een korte tijd’, ‘bij gelegenheid’ en ‘in geringe mate’. Hierdoor blijft een individueel gevaar bestaan dat de grondrechten van de opgeëiste persoon worden geschonden. Door de rechtbank is bij tussenuitspraak van 8 januari 2026 een redelijke termijn van 30 dagen gesteld. De reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit is onvoldoende om het gestelde algemene en individuele gevaar weg te nemen. Volgens de raadsvrouw heeft het geen zin om nogmaals aanvullende vragen te stellen, omdat het onaannemelijk is dat zich alsnog binnen een redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden zal voordoen die het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon kan wegnemen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan de overlevering worden toegestaan. Indien de Franse autoriteiten vermelden dat vermindering van de persoonlijke leefruimte tot onder de norm van
3 m2 slechts van korte duur is, in geringe mate en bij gelegenheid voorkomt, dient gelet op het vertrouwensbeginsel te worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie. Daarvan uitgaande is het niet goed mogelijk voor de Franse autoriteiten om feitelijke invulling aan deze begrippen te geven. De officier van justitie heeft verder verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 waarin de rechtbank de detentiegarantie voldoende heeft bevonden. [6] Het enige verschil met de zaak van de opgeëiste persoon is dat in die zaak werd gegarandeerd dat die opgeëiste persoon zou worden geplaatst in een individuele cel en in deze zaak niet.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie van 14 januari 2026 daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit de verstrekte informatie van 14 januari 2026 blijkt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet meer informatie kan verstrekken dan al is gedaan en dat niet meer kan worden gegarandeerd dan reeds is vermeld in de informatie van 18 december 2026.
De meeste van de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de rechtbank al besproken in de tussenuitspraken van 11 december 2025 en 8 januari 2026. De rechtbank volstaat met een verwijzing naar de overwegingen in die tussenuitspraken. De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar stelling dat het voor de uitvaardigende justitiële autoriteit niet (goed) mogelijk is om een concrete invulling van de begrippen ‘een korte tijd’, ‘bij gelegenheid’ en ‘in geringe mate’ te geven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de in haar tussenuitspraak van 11 december 2025 gegeven concrete suggesties voor een vraagstelling ter invulling van die begrippen, te weten hoe vaak het voorkomt dat de leefruimte onder de 3 m2 komt, hoe lang zo’n periode doorgaans duurt en hoe ver onder de 3 m2 de persoonlijke leefruimte in die gevallen komt. Het IRC heeft deze concrete vragen vervolgens ook gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De vergelijking door de officier van justitie met een detentiegarantie in een uitspraak van 14 januari 2026 slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier niet om vergelijkbare zaken, omdat in die zaak een andersluidende detentiegarantie is verstrekt ten opzichte van de informatie die is verstrekt in de zaak van de opgeëiste persoon
De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanvullende informatie van 14 januari 2026 niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken.
De rechtbank zal geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.

6. Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

7.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

8.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9910.
5.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.