ECLI:NL:RBAMS:2026:2091

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
13-330089-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte na garantie detentieomstandigheden België

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 februari 2026 een verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in Brugge. De verdachte, die de Nederlandse nationaliteit bezit, beriep zich op de terugkeergarantie uit de Overleveringswet (OLW).

De rechtbank stelde vast dat het strafbare feit, georganiseerde of gewapende diefstal, een lijstfeit is waarvoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht. De Belgische autoriteiten gaven een individuele garantie dat de verdachte na veroordeling zijn straf in Nederland mag ondergaan, wat de rechtbank voldoende achtte.

Gezien het algemene gevaar van onmenselijke detentieomstandigheden in België, beoordeelde de rechtbank de specifieke garantie over detentie in de gevangenis van Dendermonde. Ondanks bezwaren van de raadsman over het ontbreken van concrete, verifieerbare toezeggingen en het CPT-rapport, concludeerde de rechtbank dat de garantie voldoende is en het algemene gevaar voor de verdachte is weggenomen.

De rechtbank wees het verzoek tot aanhouding van de procedure af en besloot dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering wordt toegestaan, waarbij de verdachte zal worden overgeleverd aan de Belgische autoriteiten voor het strafbare feit zoals omschreven in het EAB.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan België toe na voldoende individuele detentiegaranties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-330089-25
Datum uitspraak: 26 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 november 2025 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1] ,
feitelijk verblijvende op het adres:
[adres 2] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. U. Ural, advocaat te Enschede.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsmandaat bij verstek, afgeleverd door een onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op 7 november 2025.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Parket van de procureur des Konings West-Vlaanderen, Afdeling Brugge Internationale Rechtshulp heeft op 6 januari 2026 de volgende garantie - voor zover van belang - gegeven:
“(…) Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/J BZ). (…)”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [4]
Bij brief van 7 januari 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie betreffende de opgeëiste persoon gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de garantie niet voldoende waarborgen biedt, gelet op het nog te publiceren rapport van
the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman of Degrading Treatment or Punishment(hierna: CPT) naar aanleiding van bezoeken van mei 2025 aan een aantal detentie-instellingen in België. Voorts heeft de raadsman gewezen op diverse nieuwsberichten. De verstrekte detentiegarantie bestaat uit een standaardformulering die in vrijwel identieke bewoordingen wordt verstrekt in alle Belgische overleveringszaken. Deze standaardformulering bevat geen concrete, verifieerbare toezeggingen die specifiek zijn afgestemd op de individuele medische situatie van de opgeëiste persoon, maar herhaalt in essentie de normen waarvan het CPT in mei 2025 juist heeft vastgesteld dat zij structureel niet worden nageleefd. De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. Subsidiair heeft hij verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende, concrete en individueel toegesneden garanties op te vragen bij de Belgische autoriteiten met betrekking tot de plaatsing van de opgeëiste persoon in een eenpersoonscel van voldoende omvang, de gegarandeerde toegang tot medische zorg, een minimaal dagprogramma buiten de cel en een concreet monitoringsmechanisme voor de naleving van deze garanties. De raadsman heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 8 januari 2026 [5] , waarin de behandeling van een zaak is aangehouden om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden in een Belgische detentie-instelling.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 7 januari 2026 ten aanzien van dezelfde detentie-instelling [6] – op het standpunt gesteld dat de door de Belgische autoriteiten gegeven detentiegarantie voldoende is. De raadsman citeert uit een nog ongepubliceerd CPT-rapport van een bezoek aan detentie-instellingen waar de opgeëiste persoon niet naartoe gaat. Op de website van het CPT staan de Belgische instellingen vermeld waar het CPT een bezoek aan heeft gebracht en daar zit Dendermonde niet bij. De door de raadsman overlegde nieuwsberichten kunnen niet worden aangemerkt als objectieve gegevens. Bovendien dateren deze van voor de uitspraak van 7 januari 2026. Daarbij komt dat de berichten zien op het reeds vastgestelde algemene gevaar. Plaatsing van de opgeëiste persoon in een eenpersoonscel van voldoende omvang is niet vereist. Aanhouding ter verkrijging van nadere informatie daarover is daarom niet nodig. In de verstrekte detentiegarantie wordt al gegarandeerd dat de opgeëiste persoon toegang krijgt tot medische zorg en een minimaal dagprogramma buiten de cel zal krijgen. Een concreet monitoringsmechanisme voor de naleving van deze garanties is niet nodig. Indien blijkt dat een garantie niet wordt nageleefd, kan de raadsman contact opnemen met het Openbaar Ministerie en zal het Openbaar Ministerie contact opnemen met de Belgische autoriteiten. Ten slotte heeft de raadsman geen feiten gesteld en onderbouwd waaruit blijkt dat de medische zorg in Dendermonde voor de opgeëiste persoon niet toereikend is.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [7]
De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).
De door de raadsman geciteerde passages uit een CPT-rapport leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het CPT heeft blijkens informatie op de website van het CPT in mei 2025 weliswaar een bezoek gebracht aan een aantal Belgische detentie-instellingen, maar blijkens diezelfde informatie [8] hebben deze bezoeken plaatsgevonden bij andere detentie-instellingen dan de gevangenis van Dendermonde. Verder stelt de rechtbank vast dat het CPT-rapport waarnaar de raadsman heeft verwezen nog niet is gepubliceerd. De rechtbank heeft dus geen kennis kunnen nemen van het definitieve rapport en ook niet van de reactie van de Belgische autoriteiten op de bevindingen van het CPT.
De nieuwsberichten die de raadsman heeft overgelegd leiden evenmin tot een ander oordeel. Deze nieuwsberichten bevestigen het eerder door deze rechtbank vastgestelde algemene gevaar dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Juist vanwege dat algemene gevaar heeft de rechtbank, alvorens de overlevering kan worden toegestaan, een individuele detentiegarantie nodig waarmee het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank uitgaan van de informatie en de garanties die door de Belgische autoriteiten worden gegeven. Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank gegronde reden kan hebben om te twijfelen of de garanties nog wel (kunnen) worden nagekomen en daarom aanvullende vragen zal moeten stellen aan de Belgische autoriteiten. De door de raadsman overgelegde nieuwsberichten zijn daartoe echter onvoldoende, omdat die artikelen niet aangemerkt kunnen worden als objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zoals bedoeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. [9] De raadsman heeft daarnaast geen objectieve informatie overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat de opgeëiste persoon niet de benodigde medische zorg zou kunnen krijgen en/of dat de gegeven detentiegarantie niet kan worden nageleefd.
De rechtbank wijst het subsidiair door de raadsman geformuleerde verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon, dan ook af.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.
8.Nieuwsbericht website CPT 28 mei 2025:
9.HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Cǎldǎraru), punten 82-103.