ECLI:NL:RBAMS:2026:22

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13-279285-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot meerdere vonnissen uit Polen

Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door het Circuit Court of Law in Świdnica, Polen. De zaak betreft de vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB, dat is uitgevaardigd op 4 september 2025. De opgeëiste persoon, geboren in 1990 in Polen, is momenteel gedetineerd en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Tijdens de zitting op 17 december 2025 was de opgeëiste persoon niet aanwezig, maar vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. S. de Goede.

De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. Op 7 januari 2026 is het onderzoek gesloten en is er direct uitspraak gedaan. De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en de grondslag van het EAB onderzocht, dat drie vonnissen vermeldt van het District Court of Law in Wałbrzych. De rechtbank heeft de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) besproken, waarbij de raadsman aanvoerde dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedures. De officier van justitie betoogde echter dat de opgeëiste persoon wel degelijk op de hoogte was, aangezien hij adresinstructies had ontvangen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat, hoewel de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen, er geen redenen waren om de overlevering te weigeren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedures en dat de overlevering kan worden toegestaan. De rechtbank heeft de overlevering goedgekeurd, waarbij is vastgesteld dat er geen weigeringsgronden zijn en dat het EAB voldoet aan de eisen van de OLW. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-279285-25
Datum uitspraak: 7 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1] Dit EAB is uitgevaardigd op
4 september 2025 door
the Circuit Court of Law in Świdnica, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag 1] 1990 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming van partijen enkelvoudig) gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een drietal vonnissen:
Vonnis van
the District Court of Law in Wałbrzych on the 6th of June 2023,met kenmerk III K 2356/22
.
Vonnis van
the District Court of Law in Wałbrzych on the 12th of October 2021,met kenmerk III K 710/21
.
Vonnis van
the District Court of Law in Wałbrzych on the 5th of October 2022,met kenmerk III K 2261/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de volgende vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat:
tien maanden (III K 2356/22). Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig.
acht maanden (III K 710/21). Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en negenentwintig dagen.
twee jaar en zes maanden (III K 2261/21). Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, vijf maanden en achtentwintig dagen.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 12 OLW nu de opgeëiste persoon in geen van de procedures aanwezig is geweest en de omstandigheden als bedoeld in artikel 12 sub a tot en met d zich niet voordoen. Er is geen reden om af te zien van de weigeringsgrond, aldus de raadsman. Volgens zijn eigen verklaring heeft de opgeëiste persoon geen enkele oproep voor welke zitting dan ook, ontvangen. Weliswaar is sprake van adresinstructies: de opgeëiste persoon zegt hierover dat hij nooit dergelijke instructies ontvangen heeft en ook heeft hij nooit begrepen dat hij de verplichting had adreswijzigingen door te geven. De raadsman verzoekt de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden omdat uit het dossier niet blijkt dat hij de adresinstructies heeft ondertekend. Hierover dient navraag te worden gedaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering voor alle vonnissen kan worden toegestaan, nu kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft in alle procedures een adresinstructie gekregen waarbij hij is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van een adreswijziging. In alle procedures heeft hij een adres opgegeven en de oproep voor de zitting is naar het door de opgeëiste persoon in die procedure opgegeven adres gestuurd. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat de opgeëiste persoon voor ontvangst van een adresinstructie heeft getekend of de instructie zelf heeft ondertekend.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het vonnis met nummer III K 2356/22
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en ook geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in het EAB onder D aangekruist dat de situatie van artikel 12 sub a OLW zich heeft voorgedaan: uit de toelichting blijkt echter dat oproepen per post naar zijn adres zijn gestuurd, maar niet zijn opgehaald en aan de rechtbank zijn geretourneerd. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord en bij die gelegenheid een adres heeft opgegeven in [geboorteplaats] . De opgeëiste persoon heeft bovendien in de aanloop naar de zitting een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de zitting op 6 juni 2023 die tot de beslissing heeft geleid is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in [geboorteplaats] . De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat een opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat wordt uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover navraag te doen dan ook af en ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.
Ten aanzien van het vonnis met nummer III K 710/21
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in het EAB onder D aangekruist dat de situatie van artikel 12 sub a OLW zich heeft voorgedaan: uit de toelichting blijkt echter dat oproepen per post naar zijn adres zijn gestuurd, maar niet zijn opgehaald en aan de rechtbank zijn geretourneerd. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord en bij die gelegenheid een adres in [plaats] heeft opgegeven. De opgeëiste persoon heeft bovendien in aanloop naar de zitting een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de zitting op 12 oktober 2021 die tot de beslissing heeft geleid is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, te weten het adres [adres 1] [plaats] . De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat een opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat wordt uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om daarover navraag te doen dan ook af en ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.
Ten aanzien van het vonnis met nummer III K 2261/21
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in het EAB onder D aangekruist dat de situatie van artikel 12 sub a OLW zich heeft voorgedaan: uit de toelichting blijkt echter dat oproepen per post naar zijn adres zijn gestuurd, maar niet zijn opgehaald en aan de rechtbank zijn geretourneerd. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij ligt dat toe. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord en bij die gelegenheid twee adressen heeft opgegeven, in [geboorteplaats] en [plaats] . De opgeëiste persoon heeft voorts in de aanloop van de procedure een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de zitting op 5 oktober 2022 die tot de beslissing heeft geleid, is gezonden aan beide door de opgeëiste persoon opgegeven adressen, te weten [adres 2] , [geboorteplaats] , en [adres 3] , [plaats] . De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat een opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat wordt uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover navraag te doen dan ook af en ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
belaging;
diefstal door twee of meer verenigde personen;
in het openbaar, bij geschrift, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind;
wederrechtelijk in de woning vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen;
opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.

6.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 131, 138, 285a, 285b, 300, 304 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, en de artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court of Law in Świdnica, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (