Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door het Circuit Court of Law in Świdnica, Polen. De zaak betreft de vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB, dat is uitgevaardigd op 4 september 2025. De opgeëiste persoon, geboren in 1990 in Polen, is momenteel gedetineerd en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Tijdens de zitting op 17 december 2025 was de opgeëiste persoon niet aanwezig, maar vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. S. de Goede.
De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. Op 7 januari 2026 is het onderzoek gesloten en is er direct uitspraak gedaan. De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en de grondslag van het EAB onderzocht, dat drie vonnissen vermeldt van het District Court of Law in Wałbrzych. De rechtbank heeft de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) besproken, waarbij de raadsman aanvoerde dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedures. De officier van justitie betoogde echter dat de opgeëiste persoon wel degelijk op de hoogte was, aangezien hij adresinstructies had ontvangen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat, hoewel de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen, er geen redenen waren om de overlevering te weigeren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedures en dat de overlevering kan worden toegestaan. De rechtbank heeft de overlevering goedgekeurd, waarbij is vastgesteld dat er geen weigeringsgronden zijn en dat het EAB voldoet aan de eisen van de OLW. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.