ECLI:NL:RBAMS:2026:2461

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
13-352561-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLWArt. 3 onder b OpiumwetArt. 3 onder c OpiumwetArt. 10, vierde en vijfde lid, Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel en toetsing artikel 12 Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 maart 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Tsjechische justitiële autoriteit voor een persoon geboren in 1990 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De opgeëiste persoon was niet aanwezig, en zijn raadsvrouw was niet gemachtigd om namens hem te spreken. De rechtbank verlengde de termijn voor uitspraak en beval gevangenhouding.

De identiteit van de opgeëiste persoon werd vastgesteld en het EAB betreft een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van twee jaar en zes maanden opgelegd bij een definitieve uitspraak van 10 april 2018. De officier van justitie stelde dat artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is omdat de opgeëiste persoon persoonlijk aanwezig was bij de veroordelende zitting. Wel zijn er twee latere beslissingen uit 2021 waarvan onduidelijk is of deze tenuitvoerleggingsbeslissingen betreffen die aanleiding geven tot nieuwe veroordelingen.

De rechtbank oordeelt dat deze latere 'resolutions' nader onderzocht moeten worden en heropent het onderzoek met schorsing om de officier van justitie toe te staan hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit. De zaak wordt opnieuw gepland uiterlijk 26 maart 2026. De rechtbank bevestigt dat de feiten onder Nederlands recht strafbaar zijn als medeplegen van verboden handelen volgens de Opiumwet.

Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De procedure wordt voortgezet met nadruk op de verduidelijking van de aard van de latere beslissingen en de toepassing van artikel 12 OLW Pro.

Uitkomst: Onderzoek naar het Europees aanhoudingsbevel wordt heropend en geschorst voor aanvullende vragen over latere beslissingen en artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-352561-25
Datum uitspraak: 10 maart 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 16 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 mei 2022 door
the Městský soud v Brně [Municipal Court in Brno], Tsjechië
,(hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Tsjecho-Slowakije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
met als feitelijk verblijfsadres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Op zitting is verschenen de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht. De raadsvrouw heeft medegedeeld dat zij niet door de opgeëiste persoon is gemachtigd namens haar het woord te voeren.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Tsjechische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt
the judgment of the Municipal Court in Brno of 23 January 2018, ref. no. 2 T 135/2017-223, in conjunction with judgment of the Regional Court in Brno of 10 April 2018, ref. no. 8 To 76/2018-253, in legal force on 10 April 2018, in conjunction with resolution of the Municipal Court in Brno of 4 May 2021, ref. no. 2 T 135/2017-364, in conjunction with resolution of the Regional Court in Brno of 22 June 2021, ref. no. 8 To 162/2021-374, in legal force on 22 June 2021, met als referentienummer: 2 T 135/2017.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde uitspraak van 10 april 2018.
Deze uitspraak betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie die afkomstig is van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de beslissing van 10 april 2018 de beslissing is waarbij het laatst over de schuld en straf is beslist. Ten aanzien van die beslissing is het D-formulier ingevuld. Deze beslissing dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij de zitting die heeft geleid tot deze veroordeling. Gelet hierop is de weigeringsgrond, zoals genoemd in artikel 12 OLW Pro niet van toepassing op deze beslissing.
Daarnaast blijkt uit het EAB dat sprake is van twee beslissingen (“resolutions”) die dateren van na de beslissing van 10 april 2018. Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit dikgedrukte leden van ‘section 94’, het Tsjechische wetsartikel dat is opgenomen onder 4 van het EAB, blijkt dat de tenuitvoerleggingstermijn kan worden gestuit door “measures aimed at execution of the sentence concerned”. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hieruit kan worden afgeleid dat voornoemde “resolutions” niet meer dan stuitingshandelingen zijn geweest. Deze beslissingen hoeven daarom niet aan artikel 12 OLW Pro te worden getoetst.
Oordeel van de rechtbank
De beslissing vanthe Municipal Court in Brnovan 23 januari 2018, ref. no. 2 T 135/2017-223 en de beslissing vanthe Regional Court in Brnovan 10 april 2018, ref. no. 8 To 76/2018-253, onherroepelijk op 10 april 2018.
Uit het EAB en de ontvangen aanvullende informatie van 25 februari 2026 blijkt dat tegen de beslissing van
the Municipal Court in Brnovan 23 januari 2018 hoger beroep is ingesteld dat heeft geresulteerd in de beslissing van
the Regional Court in Brnovan 10 april 2018. De beslissing van 10 april 2018 was volgens de aanvullende informatie een definitieve beslissing waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstond.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
Uit voornoemde aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de zitting die tot de beslissing van 10 april 2018 heeft geleid. Dat betekent dat artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is op die beslissing.
Deresolution of the Municipal Court in Brnovan 4 mei 2021, ref. no. 2 T 135/2017-364 en deresolution of the Regional Court in Brnovan 22 juni 2021, ref. no. 8 To 162/2021-374, onherroepelijk op 22 juni 2021.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het EAB en de ontvangen aanvullende informatie niet worden vastgesteld wat de aard van deze
resolutionsis en, in het bijzonder, of sprake is geweest van (een) tenuitvoerleggingsbeslissing(en) ten aanzien van een aanvankelijk voorwaardelijke of opgeschorte straf, die het gevolg is geweest van een veroordeling voor een nieuw feit (een “
triggerende veroordeling”). De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen:
  • Zijn ‘
  • Zo ja, wilt u dan onderdeel D van het EAB-formulier invullen voor de procedure(s) die heeft of hebben geleid tot deze

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro b van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd het een in artikel 3 onder Pro c van de Opiumwet gegeven verbod;
​​​​​​voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

6.Beslissing

HEROPENThet onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 4 geformuleerde vragen te laten stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk op 26 maart 2026 en bij voorkeur op 18 maart 2026
opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk voor de Tsjechische taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (