ECLI:NL:RBAMS:2026:2750

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
13-252681-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentiegaranties

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 maart 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van eerste aanleg Brussel, gericht op de overlevering van de opgeëiste persoon wegens deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen.

De opgeëiste persoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit, beriep zich op artikel 6 OLW Pro, waarbij de rechtbank vaststelde dat zijn maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden. België gaf een garantie dat de opgeëiste persoon na veroordeling in België zijn straf in Nederland mag ondergaan.

De rechtbank had eerder geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat voor onmenselijke behandeling in Belgische detentie-instellingen. België verstrekte echter gedetailleerde detentiegaranties voor de instelling in Haren, waaronder voldoende leefruimte en toegang tot gezondheidszorg.

De raadsman voerde aan dat de overlevering zou leiden tot schending van het Handvest van de grondrechten van de EU vanwege overbevolking, maar de rechtbank vond de verstrekte garanties voldoende en onvoldoende objectieve gegevens om het gevaar te bevestigen.

De rechtbank concludeerde dat geen reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon onmenselijk wordt behandeld en wees het verweer af. De overlevering werd toegestaan, waarbij geen rechtsmiddel openstaat tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe onder de gegeven garanties over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-252681-25
Datum uitspraak: 17 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 13 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2025 door de rechtbank van eerste aanleg Brussel, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag 1] 2002 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Z. Badrane, advocaat in Rotterdam, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot, mr. L.A.R. Newoor.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt het bevel tot aanhouding bij verstek van 18 september 2025 uitgaande van de onderzoeksrechter bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Parket van de procureur des Konings Halle – Vilvoorde, Georganiseerde Internationale Criminaliteit heeft op 4 februari 2026 de volgende garantie gegeven:
“Verwijzend naar het Europees aanhoudingsbevel inzake het onderzoeksdossier 2025/0142 (…) betreffende:
[de opgeëiste persoon] (geboren op [geboortedag 2] -2002)
Kan ik u met toepassing van artikel 5.2(de rechtbank begrijpt dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat hiermee wordt bedoeld artikel 5.3
) van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ de garantie verstrekken dat de opgeëiste persoon zal worden teruggezonden naar Nederland als uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel in België zal worden opgelegd.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [5]
De rechtbank stelt vast dat bij brief van 12 februari 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel de volgende detentiegarantie is gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Haren indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2026 [6] – nieuwsberichten, een open brief van de directeur gevangeniswezen en het rapport van
The European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) van 9 november 2022 op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Gelet op de overbevolking in de Belgische detentie-instellingen in het algemeen en in die van Haren in het bijzonder, waarvoor de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten heeft aangenomen, zijn er gegronde redenen om te twijfelen of de verstrekte garantie nog wel kan worden nagekomen. Daarom moeten hierover vragen worden gesteld aan de Belgische autoriteiten. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Belgische autoriteiten nadere vragen te stellen over de verstrekte detentiegarantie. De raadsman heeft verzocht de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen indien de rechtbank de behandeling van de zaak aanhoudt voor het stellen van nadere vragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgaan van de geboden garantie. Deze garantie neemt het algemeen gevaar, dat door de rechtbank is aangenomen, voor de opgeëiste persoon weg. Er zijn geen feiten en omstandigheden bekend dat detentiegaranties in België in het algemeen structureel niet worden nageleefd of dat specifiek in de detentie-instelling in Haren de detentiegarantie niet kan worden nageleefd. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
De voormelde detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. In dat geval dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [7] De nieuwsberichten en de open brief van de directeur gevangeniswezen, waarnaar door de raadsman is verwezen vormen een bevestiging van het vastgestelde algemene gevaar. De rechtbank overweegt verder dat deze zaak verschilt van de zaak die door de raadsman is aangehaald, omdat de rechtbank in die zaak beschikte over gegevens waaruit bleek dat in de betreffende detentie-instelling (Mechelen) sprake was van een zeer grote mate van overbevolking door een bezettingsgraad van 185,7%. De zorgen daarover werden bovendien onderschreven door destijds recente uitlatingen van de gevangenisdirecteur van de betreffende detentie-instelling. Weliswaar beschikt de rechtbank ook ten aanzien van de detentie-instelling in Haren over een interview waarin de directeur van de detentie-instelling zijn zorgen uit over de gevolgen van de overbevolking, maar de rechtbank beschikt niet over objectieve gegevens waaruit blijkt dat de bezettingsgraad in Haren vergelijkbaar is met de bezettingsgraad in Mechelen. Bovendien zien de zorgen van de directeur op het reeds vastgestelde algemene gevaar. Er zijn kortom niet voldoende objectieve gegevens op grond waarvan aan de uitvoerbaarheid van de verstrekte garantie kan worden getwijfeld. De rechtbank is, gelet op de toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijke schorsingsverzoek van de raadsman.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de rechtbank van eerste aanleg Brussel, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.