ECLI:NL:RBAMS:2026:2800

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
13-282687-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 22 OLWArt. 23 OverleveringswetArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen uitvoering Europees aanhoudingsbevel wegens risico op onmenselijke detentie in Letland

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Letland gericht op de overlevering van een opgeëiste persoon. Na een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat er een individueel reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in Letse detentie onmenselijk of vernederend wordt behandeld, werd de procedure geschorst om te wachten op aanvullende informatie van de Letse autoriteiten.

De aanvullende informatie van 9 februari 2026 beschreef de detentieomstandigheden in Riga Central Prison, waaronder 24-uurs monitoring, regelmatige inspecties en maatregelen tegen geweld binnen het kastenstelsel. De verdediging betoogde dat deze informatie te algemeen was en onvoldoende concrete garanties bood, terwijl de officier van justitie stelde dat de informatie wel een wijziging van omstandigheden betekende.

De rechtbank oordeelde dat de aanvullende informatie onvoldoende concreet was om het individuele gevaar weg te nemen. Er ontbraken details over proactieve maatregelen tegen het kastenstelsel en drugsgebruik, en onduidelijkheid bestond over mogelijke snelle overplaatsing van de opgeëiste persoon. Daarom werd geen gevolg gegeven aan het EAB en werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank weigert uitvoering aan het Europees aanhoudingsbevel wegens onvoldoende garanties tegen onmenselijke behandeling in Letse detentie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-282687-25
Datum uitspraak: 18 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 18 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2025 door de
Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia, Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 14 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Letse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 28 januari 2026
Bij tussenuitspraak van 28 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank heeft vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, nu met de aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden, omdat een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om af te wachten of een wijziging in de omstandigheden zal optreden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, onder c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd. De (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op grond van artikel 27, derde lid, OLW met 60 dagen verlengd.
Zitting van 4 maart 2026
De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 4 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans en door een tolk in de Letse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 28 januari 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro (onder 3.1) en de dubbele strafbaarheid van het feit (onder 4). De overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Letse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 28 januari 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 29 januari 2026 op de hoogte gesteld van de tussenuitspraak en verzocht binnen de redelijke termijn in kennis te worden gesteld van eventuele wijzigingen in de detentieomstandigheden die zouden maken dat de opgeëiste persoon niet langer het gevaar loopt te worden blootgesteld aan de negatieve gevolgen van het kastenstelsel, waarbij is gevraagd:

Therefore, in light of this interlocutory judgement, could you please answer the following questions:
1. Could you inform us where [opgeëiste persoon] will most likely be detained?
2. Could you inform us of specific measures that will be taken for [opgeëiste persoon], in the
detention center where he will most likely be placed, to reduce the risk of a violation of his fundamental rights, in light of the informal hierarchy/caste-system in Latvian prisons?3. Could you inform us of any specific changes that have taken place, or specific measures that will be imposed, in light of the informal hierarchy/caste system, that have an influence on the detention of [opgeëiste persoon]?
Bij brief van 9 februari 2026 heeft de
Chief Colonelbij
the Department of Imprisonment Institutionsonder andere de volgende informatie verstrekt:

In response to your 1st question, the Department informs that the aforementioned person, if surrendered to the Republic of Latvia, will initially be detained in the Investigative Prison Unit of Riga Central Prison (Rïgas Centrälcietums).
[opgeëiste persoon] will be placed in Riga Central Prison pursuant tot the criteria laid down in the laws (Sentence Execution Code of Latvia (hereinafter referred to as the Code) and the Law on the Procedure for Holding under Arrest (hereinafter referred to as the Law)).
For example, pursuant to Section 131 of the Code, the placement of convicted persons in a specific prison shall be determined by the Head of the Department taking into account medical, security and crime prevention criteria.
Pursuant to Section 132(1) of the Code, the committee for the allocation of convicted persons established by the order of the head of Riga Central Prison shall determine in which part. Unit and cell of the prison [opgeëiste persoon] shall be placed, considering vacant places in cells. Psychological compatibility, health conditions, attitude towards smoking, prior criminal experience of the convicted persons. Furthermore, in Riga Central Prison, convicted persons whose personal characteristics and criminal record negatively affect other convicted persons or who oppress and exploit other convicted persons shall also be segregated.
The Department informs that in the event of a threat, [opgeëiste persoon] shall be immediately transferred to a single, smaller or other cell, but if the threat is very serious, then he can be transferred to another prison.
In Riga Central Prison, the prisoners’ safety is assured by performing regular inspections and monitoring. The prison staff are trained about conflict solving and violence prevention. Video surveillance systems are also in use in order to prevent any violence or other incidents.
In Riga Central Prison, an around-the-clock (24-hour) monitoring system provides active and preventive protection of the prisoners, including also in the event when a prisoner is at risk of violence or inhuman treatment because of informal hierarchy.
The uninterrupted 24-hour surveillance includes video surveillance and regular staff inspections. Video surveillance cameras allow for prompt identification of any suspicious or aggressive situations. The video surveillance cameras are placed in shared spaces, places of movement and other essential places, ensuring constant monitoring of situation.
The video surveillance is combined with prompt actions of prison officials, ensuring timely intervention in the event of violence or threat.
It should be noted additionally that Riga Central Prison officials perform planned and extraordinary inspections in cells (including also in wards, living spaces, shared spaces, etc.), thereby systematically monitoring prisoners’ behaviour, occurrence of any injuries, and general atmosphere in premises. The uninterrupted 24-hour surveillance helps prison staff to identify potential conflicts, tense situations, or signs of emotional distress immediately. Regular staff patrols ensure that prisoners will not be left without supervision for too long, thereby reducing any likelihood of violence.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [4] - op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. De aanvullende informatie van de Letse autoriteiten van 9 februari 2026 levert geen wijziging van omstandigheden op, waardoor het individueel gevaar voor de opgeëiste persoon ook nu niet is weggenomen. De raadsman voert daartoe aan dat de verstrekte informatie nog steeds te algemeen van aard is en overeenkomt met de eerder door de Letse autoriteiten verstrekte informatie van 1 december 2025 en 6 januari 2026. Er zou sprake zijn van regelmatige inspecties en monitoring, terwijl niet duidelijk is wat onder ‘regelmatig’ moet worden verstaan. Bovendien kan het monitoringssysteem blinde vlekken hebben. Daarnaast heeft de verstrekte informatie alleen betrekking op de
Riga Central Prison. Het is niet duidelijk of de opgeëiste persoon na zijn initiële verblijf in Riga niet al heel snel zal worden overgeplaatst naar een andere detentie-instelling. Ook nu weer staat in de informatie dat de opgeëiste persoon “
will initially be detained” in Riga Central Prison: mogelijk blijft hij daar maar een paar dagen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende informatie van 9 februari 2026 een wijziging van omstandigheden inhoudt, waardoor geen sprake meer is van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. De door de Letse autoriteiten verstrekte informatie ziet specifiek op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Daarnaast ziet de informatie specifiek op de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst, namelijk de
Riga Central Prisonen is deze specifiek toegespitst op de opgeëiste persoon. De rechtbank moet - in lijn met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de zaak
ML [5] - in haar beoordeling van de Letse detentieomstandigheden alleen de
Riga Central Prisononderzoeken. Daar komt de opgeëiste persoon namelijk in eerste instantie vast te zitten. In de verstrekte informatie staat dat gedetineerden die misbruik maken van het kastenstelsel en anderen onderdrukken en uitbuiten, apart zullen worden geplaatst in de
Riga Central Prison. Wanneer de opgeëiste persoon wordt bedreigd, zal hij worden overgeplaatst. De veiligheid van de opgeëiste persoon wordt gegarandeerd door regelmatige inspecties en monitoring gedurende 24 uur per dag. De informatie is niet meer algemeen van aard, maar toegespitst op de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak van 28 januari 2026 gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Letse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 9 februari 2026 daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat de Letse autoriteiten met de verstrekte aanvullende informatie onvoldoende antwoord hebben gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien hij in Letland in detentie wordt geplaatst. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verstrekte informatie van algemene aard is, niet of nauwelijks op de concrete situatie van de opgeëiste persoon ziet en niet specifiek op de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering na alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst ziet.
De rechtbank is van oordeel dat zij - in lijn met de rechtspraak van het HvJ EU in de zaak
ML [6] - in haar beoordeling van de Letse detentieomstandigheden alleen de
Riga Central Prisonmoet onderzoeken. De aanvullende informatie van 9 februari 2026 geeft geen aanleiding om te oordelen dat de opgeëiste persoon al binnen heel korte termijn na zijn aankomst in Letland naar een andere detentie-instelling dan de detentie-instelling in Riga zal worden overgeplaatst. Voorts is de verstrekte informatie meer toegespitst op de concrete situatie van de opgeëiste persoon en de detentie-instelling waar hij naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, namelijk de
Riga Central Prison. De Letse autoriteiten benoemen in de detentiegarantie immers de naam van de opgeëiste persoon en de detentie-instelling in Riga. De rechtbank is echter van oordeel dat met de aanvullende informatie van 9 februari 2026 geen antwoord wordt gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien hij in Letland in detentie wordt geplaatst. De detentiegarantie blijft van algemene aard. Zo is er nauwelijks informatie verschaft over eventuele proactieve maatregelen die binnen de detentie-instelling van Riga worden genomen om de gevaren zoals genoemd in het CPT-rapport tegen te gaan. Hoewel de rechtbank leest dat er wel regelmatige inspecties en monitoring gedurende 24 uur per dag plaatsvinden en er sprake is van getrainde medewerkers, is het voor de rechtbank onduidelijk in hoeverre er ook sprake is van een toename van de directe medewerkers die in contact staan met de gedetineerden. Ook is het onduidelijk welke maatregelen worden getroffen in het kader van het trainen van medewerkers. Ook informatie over de proactieve maatregelen die worden getroffen om drugsgebruik tegen te gaan en gedetineerden te beschermen die geen drugs gebruiken ontbreekt. De garantie dat in Letse detentie-instellingen, waaronder de
Riga Central Prison, regelmatig inspecties worden uitgevoerd, de opgeëiste persoon 24 uur per dag wordt gemonitord en zal worden overgeplaatst bij een bedreiging, was al uitgebreid beschreven in de eerder verstrekte informatie over de detentieomstandigheden, en kan daarom niet gelden als een gewijzigde omstandigheid als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanvullende informatie van 9 februari 2026 niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken. Het individuele gevaar is voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.
De rechtbank zal geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.

5.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

6.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

7.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde geschorste gevangenhouding.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 28 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:606.
4.Rb. Amsterdam 5 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1338 en Rb. Amsterdam 19 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1803.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak
6.Zie voetnoot 5.