Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3205

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
004370-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.10 SvArt. 552a SvArt. 5.5.14 SvArt. 5.5.15 SvArt. 5.5.16 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond klaagschrift tegen inbeslagname op grond van Europees Bevriezingsbevel

De Portugese autoriteiten hebben een Europees Bevriezingsbevel (EBB) uitgevaardigd voor bevriezing van tegoeden op een Nederlandse bankrekening van klager ter zake een strafrechtelijk onderzoek. De Nederlandse autoriteiten hebben het saldo van €18.340,- bevroren en in beslag genomen.

Klager stelde dat de formaliteiten niet correct waren nageleefd, met name dat hij niet onverwijld was geïnformeerd over het beslag en de beschikbare rechtsmiddelen, en dat de bevoegdheid tot uitvoering van het EBB niet rechtmatig was toegepast omdat klager te goeder trouw was. De officier van justitie erkende het gebrek aan onverwijlde kennisgeving maar verzocht het klaagschrift ongegrond te verklaren.

De rechtbank oordeelde dat het beginsel van wederzijdse erkenning van het EBB beperkt ruimte laat voor toetsing door de uitvoerende autoriteit. De formele vereisten waren grotendeels nageleefd, en het niet onverwijld informeren leidde niet tot niet-ontvankelijkheid. De inhoudelijke toetsing van verhaalsfrustratie is voorbehouden aan de Portugese rechter en valt buiten de beoordelingsmarge van de Nederlandse rechtbank.

Daarom verklaarde de rechtbank het klaagschrift ongegrond en handhaafde het beslag. De beslissing werd op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen de inbeslagname op grond van het Europees Bevriezingsbevel wordt ongegrond verklaard en het beslag wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

RK nummer: 004370-26
Datum beschikking: 24 maart 2026
BESCHIKKING
op het klaagschrift
ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvorderingvan:
[klager] B.V.
statutair gevestigd en kantoorhoudende aan het adres:
[adres] ,
hierna: klager.

1.Procesgang

Het klaagschrift is op 11 februari 2026 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 10 maart 2026 het klaagschrift behandeld en de vertegenwoordigers van klager, de raadslieden, mr. R. Jeronimus, mr. J.R. de Jong en mr. M. Verschoor, advocaten te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, in openbare raadkamer gehoord.

2.Feiten en omstandigheden

De Portugese autoriteiten hebben door middel van een Europees bevriezingsbevel (EBB) van 3 december 2025 verzocht om bevriezing van (de tegoeden tot een bedrag van € 18.340,- op) de Nederlandse bankrekening op naam van klager in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen [bedrijf] ter zake van de verdenking dat laatstgenoemde zich schuldig heeft gemaakt aan zoals omschreven in het EBB.
Op 10 december 2025 is ter uitvoering van het EBB – op grond van artikel 5.5.15 in verbinding met artikel 94 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering – in beslag genomen onder klager:
- het saldo/tegoed van de bankrekening met nummer [rekeningnummer] tot een bedrag van € 18.340,-.

3.Inhoud klaagschrift en standpunt klager

De raadslieden hebben de rechtbank allereerst verzocht om vast te stellen dat de formaliteiten niet correct zijn nageleefd nu klager na de tenuitvoerlegging van het EBB niet onverwijld op de hoogte is gesteld van de tenuitvoerlegging en ook niet op de hoogte is gebracht van de rechtsmiddelen die ter beschikking staan. Hierdoor zijn de verplichtingen uit artikel 32 van Pro de Verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna: EBB-Verordening) niet nageleefd. Het klaagschrift strekt verder tot opheffing van het beslag. Namens klager is hiertoe aangevoerd dat de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EBB niet rechtmatig is toegepast, omdat klager te goeder trouw is ten opzichte van de ontvangen gelden van € 18.340,-. Het klaagschrift moet daarom gegrond worden verklaard.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft erkend dat het onverwijld in kennis stellen in dit geval niet heeft plaatsgevonden. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om hier geen gevolgen aan te verbinden, nu zij zich niet verzet tegen het ontvankelijk verklaren van klager in zijn beklag, dat eigenlijk te laat is gedaan.
De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard, omdat de inbeslagname op grond van artikel 94 Sv Pro niet onrechtmatig is en de weigeringsgronden zoals beschreven in artikel 8, eerste lid, van de EBB-Verordening niet van toepassing zijn.
De inbeslagname heeft plaatsgevonden overeenkomstig het Nederlandse recht en het beginsel van wederzijdse erkenning staat aan een beoordeling van de rechtmatigheid, de proportionaliteit en de subsidiariteit van het uitgevaardigde EBB in de weg. De beoordeling of klager te kwader trouw is geweest, is voorbehouden aan de Portugese autoriteiten en valt daarmee buiten deze procedure.

5.Het oordeel van de rechtbank

Toetsingskader
Het systeem van het EBB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EBB beperkt is. Met de EBB-Verordening worden regels gesteld op grond waarvan een lidstaat een door een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat in een strafprocedure gegeven beslissing tot bevriezing op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt. Ook hiervoor geldt het beginsel van wederzijdse erkenning.
De EBB-Verordening is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de artikelen 5.5.14 Sv tot en met 5.5.19 Sv.
In het arrest van 21 december 2021 [1] heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken ex artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat dit toetsingskader van overeenkomstige toepassing is bij de beoordeling van het beklag tegen een uitgevaardigd EBB. [2] Dit betekent dat bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift geen onderzoek wordt gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EBB. Evenmin wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming van de voorwerpen getoetst. Wel moet worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.5.16 Sv jo. artikel 8, eerste lid, EBB-Verordening – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EBB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EBB rechtmatig is toegepast, welke beoordeling overigens is beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EBB is ten slotte niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EBB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EBB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Oordeel van de rechtbank
In het licht van het hiervoor geschetste toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.
Allereerst heeft de rechtbank ambtshalve beoordeeld of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EBB. Het bevel bevat de vereiste informatie en is dus in overeenstemming met de eisen die artikel 5.5.15, eerste lid, Sv jo. artikel 4, eerste lid, EBB-Verordening stelt. Van een van de in artikel 5.5.16 Sv jo. artikel 8 EBB Pro-Verordening genoemde weigeringsgronden is daarnaast geen sprake.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval niet is voldaan aan de verplichting uit artikel 32 EBB Pro-Verordening nu door het openbaar ministerie is nagelaten klager in kennis te stellen van het gelegde beslag en te informeren over de rechtsmiddelen die daartegen ter beschikking staan. De rechtbank zal, mede gelet op wat door partijen naar voren is gebracht, hier echter geen gevolgen aan verbinden nu niet tot de niet-ontvankelijkheid is geoordeeld wegens het niet tijdig instellen van het beklag.
Ten aanzien van de inbeslagname is wel voldaan aan de (overige) daarvoor in Nederland geldende formaliteiten ex artikel 5.5.15, tweede lid, Sv jo. artikel 94 Sv Pro. Op basis van een bevel van de officier van justitie, gedateerd op 9 december 2025, is beslag gelegd op de zakelijke bankrekening van klager. Gelet op het bevel dat zich in het dossier bevindt, ziet de rechtbank niet dat zich bij de uitvoering van het EBB onrechtmatigheden hebben voorgedaan.
Verder stelt de rechtbank vast dat het EBB strekt tot verbeurdverklaring of door de Portugese rechter op te leggen maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De handhaving van dit beslag is daarmee in lijn met het in het EBB beschreven doel van de beslaglegging.
In het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om het beslag ten laste van klager op te heffen.
De rechtbank stelt verder vast dat sprake is van derdenbeslag en dat de onderneming dus als derde op de voet van artikel 552a Sv om opheffing van het beslag verzoekt. Dit betekent dat bij de beoordeling van deze inbeslagname als maatstaf moet worden aangelegd of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat die derde persoon als eigenaar van dat in beslag genomen voorwerp moet worden aangemerkt. Als dat laatste het geval is, dan dient de rechtbank – in een Nederlandse strafzaak – ook te onderzoeken, en daarvan blijk te geven, of zich de situatie van artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet. [3] De rechtbank moet bij dit onderzoek – met inachtneming van het summiere karakter dat het onderzoek in raadkamer in een beklagprocedure kenmerkt – beoordelen of feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat het in beslag genomen voorwerp aan de beslagene is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van dat voorwerp te frustreren (verhaalsfrustratie) en dat de beslagene dat wist of redelijkerwijze kon vermoeden. [4]
Het staat niet ter discussie dat (de tegoeden op) de bankrekening op naam van klager aan de onderneming toebehoren. De vervolgvraag, of sprake is van verhaalsfrustratie – zoals artikel 94a, vierde lid, Sv vereist – is naar het oordeel van de rechtbank een inhoudelijke en materiële toets die ziet op de rechtmatigheid van het uitgevaardigde EBB. Zoals uit het hierboven weergegeven toetsingskader volgt, is deze toets voorbehouden aan de Portugese rechter en valt het daarmee buiten de beoordelingsmarge van de uitvoerende autoriteit. Gelet hierop zal de rechtbank het beklag ongegrond verklaren.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag
ONGEGROND.
Deze beslissing is op 24 maart 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers.

Voetnoten

2.Rechtbank Amsterdam, 2 mei 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2793.
3.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverweging 2.15.
4.HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2746.