ECLI:NL:RBAMS:2026:3467

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
13-000232-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks omzetting taakstraf in gevangenisstraf in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit voor de overlevering van een persoon geboren in 1991 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De zaak betrof de omzetting van een taakstraf in een gevangenisstraf van 182 dagen wegens het niet starten met de taakstraf.

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de omzetting van de taakstraf in gevangenisstraf niet deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling en dat de Poolse rechter geen beoordelingsvrijheid had bij deze omzetting. De rechtbank concludeerde dat deze omzettingsbeslissing niet onder de weigeringsgrond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet valt.

Verder werd overwogen dat ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde, er geen concreet individueel gevaar was voor schending van het recht op een eerlijk proces in deze zaak. De rechtbank oordeelde dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en geen beletselen bestaan voor overlevering.

Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe omdat de omzetting van taakstraf in gevangenisstraf niet onder artikel 12 OLW valt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-000232-26
Datum uitspraak: 31 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 2 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in
behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2025 door
the Circuit Court in Poznań (Sąd Okręgowy W Poznaniu),Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 26 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding
bevolen.
Tussenuitspraak van 12 maart 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank beslist over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten. De rechtbank heeft in deze uitspraak het onderzoek heropend en de officier van justitie verzocht om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De overwegingen uit deze tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Zitting van 24 maart 2026Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De overwegingen uit de tussenuitspraak van 12 maart 2026 onder punt 4.2.2. dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Ten aanzien van de beslissing van the Poznań - Grunwald and Jeżyce District Court in Poznańvan 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19
3.1
Inleiding
Uit het EAB blijkt dat aan de opgeëiste persoon aanvankelijk bij vonnis van 24 mei 2018 met kenmerk VIII K 343/18 een straf van één jaar
restriction of libertyis opgelegd in de vorm van een taakstraf. Omdat de opgeëiste persoon geen contact heeft opgenomen met de reclassering en niet is gestart met deze taakstraf, is bij beslissing van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19 de omzetting van de taakstraf in een vervangende gevangenisstraf van 182 dagen bevolen. In de tussenuitspraak van 12 maart 2026 heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
1.
Kunt u aangeven of de vrijheidsbenemende straf van 182 dagen, die is opgelegd bij beslissing van the Poznań — Grunwald and Jeżyce District Court in Poznań van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19, reeds deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling waarbij de opgeëiste persoon bij vonnis van the Poznań — Grunwald and Jeżyce District Court in Poznań van 24 mei 2018 met kenmerk VIII K 343/18 een vrijheidsbeperkende straf in de vorm van een taakstraf opgelegd heeft gekregen? Indien u vraag 1 ontkennend beantwoord, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden?
2.
Heeft de rechter die de beslissing van the Poznań — Grunwald and Jeżyce District Court in Poznań van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19 heeft gewezen beoordelingsbevoegdheid genoten ten aanzien van de beslissing of de vrijheidsbeperkende straf werd omgezet in een vrijheidsbenemende straf?
3.
Heeft diezelfde rechter beoordelingsbevoegdheid genoten met betrekking tot het bepalen van de duur van de vrijheidsstraf?
Indien u vraag twee en/of drie bevestigend beantwoordt, kunt u dan nader toelichten of, en zo ja, hoe, de opgeëiste persoon op de hoogte was van de omzettingsprocedure die heeft geleid tot de beslissing van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19, dan wel op de hoogte moet zijn geweest van de (mogelijke) omzettingsprocedure?
Bij brief van17 maart 2026 hebben de Poolse autoriteiten de volgende antwoorden verstrekt:
"In response to your inquiry of 13 March 2026, we, the Regional Court in Poznań, 3rd Criminal Division, would like to inform that, in accordance with Polish law, namely Article 65 § 1 of the Executive Penal Code if a convicted person evades serving a sentence of restriction of liberty, the court shall order the enforcement of a substitute custodial sentence, and if this person evades a financial penalty or obligations imposed under Article 34 § 3 of the Criminal Code, the court may order the enforcement of a substitute custodial sentence. Where a convicted person has served part of a sentence of restriction of liberty, the court shall order the enforcement of a substitute custodial sentence of a duration corresponding to the remainder of the sentence of restriction of liberty, where one day of the substitute custodial sentence is equivalent to two days of the sentence of restriction of liberty.1. The custodial sentence was not part of the conviction; the convicted person evaded serving the sentence of restriction of liberty and, in accordance with Article 65 § 1 of the Executive Penal Code, that sentence was converted into a custodial sentence of 182 days.2. The court had no discretion; given that the convicted person evaded the sentence of restriction of liberty, the court was obliged, pursuant to Article 65 § 1 of the Executive Penal Code, to convert the sentence of restriction of liberty into a custodial sentence.3. The court had no discretion; pursuant to Article 65 § 1 of the Executive Penal Code, the court was obliged to accept that one day of a substitute custodial sentence was equivalent two days of a sentence of restriction of liberty."
3.2
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich, gelet op de aanvullende informatie van 17 maart 2026, op het standpunt gesteld dat de omzettingsbeslissing van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19 niet getoetst hoeft te worden aan de vereisten van artikel 12 OLW Pro, nu de Poolse rechter niet beschikte over enige beoordelingsvrijheid.
3.3
Oordeel van de rechtbank
Uit de aanvullende informatie van 17 maart 2026 maakt de rechtbank op dat de vrijheidsbenemende straf van 182 dagen geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling. Ook blijkt echter dat de Poolse rechter geen beoordelingsruimte had bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf. Uit de zinsnede “
shall order the enforcement” leidt de rechtbank af dat de Poolse rechter in dit geval (waarbij de opgeëiste persoon zijn taakstraf niet had verricht) verplicht was om de straf om te zetten. De Poolse rechter had ook geen beoordelingsruimte bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf. Deze rechter was immers verplicht te accepteren dat twee dagen “
restriction of liberty” gelijk staat aan één dag vervangende hechtenis Daarom valt de beslissing van 14 juni 2019 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro.

4.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Poznań (Sąd Okręgowy W Poznaniu), Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (