ECLI:NL:RBAMS:2026:3647

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
13-264908-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 11 OLWArt. 29 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over verdedigingsrechten bij Europees aanhoudingsbevel uit Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 april 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon die een vrijheidsstraf van drie jaar moet uitzitten, waarvan nog ruim een jaar resteert. De opgeëiste persoon was in eerste aanleg wel aanwezig geweest, maar niet in hoger beroep, en er is discussie over de vertegenwoordiging door zijn advocaat in hoger beroep.

De raadsvrouw voerde aan dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), omdat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen in hoger beroep en geen expliciete machtiging aan zijn advocaat heeft gegeven. De officier van justitie stelde dat de situatie onder artikel 12, onder b, OLW valt, omdat de advocaat de persoon heeft verdedigd in eerste aanleg en er een adresinstructie is gegeven.

De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd voor hoger beroep en dat hij niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen. Ook is onduidelijk wanneer de adresinstructie is gegeven en of deze voor de gehele procedure gold. Daarom wordt de zaak aangehouden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit over de adresinstructie en kennisname van de procedure.

De rechtbank constateert dat er geen concreet individueel gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces, ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde. De beslissing is een tussenuitspraak waarbij de behandeling wordt geschorst en de officier van justitie de gelegenheid krijgt om aanvullende informatie te verkrijgen.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank houdt de behandeling aan om nadere vragen te stellen over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon bij de uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-264908-25
Datum uitspraak: 9 april 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 28 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 september 2025 door
the Regional Courtin Konin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court in Koninvan 28 oktober 2021 met kenmerk II K 38/13. Uit de aanvullende informatie van 6 maart 2026 blijkt verder dat een hoger beroepsprocedure heeft plaatsgevonden, resulterend in een arrest van
the Court of Appeal in Poznańvan 15 oktober 2024, met kenmerk II AKa 88/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, twee maanden en 22 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd. Hoewel de opgeëiste persoon bij enkele zittingen in de procedure in eerste aanleg met zijn toegewezen raadsman aanwezig is geweest, is de opgeëiste persoon, nadat de voorlopige hechtenis is opgeheven, op latere zittingen niet meer verschenen. De opgeëiste persoon heeft de raadsman niet gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen of hem in hoger beroep te vertegenwoordigen. Verder vormt het tijdsverloop een contra-indicatie voor het standpunt dat de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd, immers is de voorlopige hechtenis op enig moment opgeheven en heeft het mogelijk nog jaren geduurd voordat de zaak inhoudelijk is behandeld. Blijkens de aanvullende informatie hoefde de opgeëiste persoon daarna niet op zitting te verschijnen. Gelet hierop kan niet zomaar worden afgezien van deze weigeringsgrond. De opgeëiste persoon stelt verder te hebben voldaan aan de adresinstructie, waarbij het bovendien de vraag is of de opgeëiste persoon die in 2012 is aangehouden en in voorlopige hechtenis heeft gezeten, tien jaar later moest weten dat de adresinstructie ook zag op de procedure in hoger beroep, nu het arrest dateert van 15 oktober 2024.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op grond van de aanvullende informatie van 10 maart 2026 primair op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De opgeëiste persoon heeft tijdens de procedure contact gehad met de raadsman en de raadsman heeft de opgeëiste persoon daadwerkelijk op zitting verdedigd. Subsidiair moet van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro worden afgezien, nu de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gehad, waarbij hij is gewezen op de gevolgen van het niet naleven daarvan, en de oproepingen zijn gestuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Nu blijkens de aanvullende informatie een procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank de beslissing van
the Court of Appealin
Poznańvan 15 oktober 2024 met kenmerk II AKa 88/21 toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Dat de opgeëiste persoon de advocaat zou hebben gemachtigd, zou volgens de aanvullende informatie van 10 maart 2026 volgen uit de omstandigheid dat de opgeëiste persoon contact heeft gehad met zijn advocaat nu zij beide op de zittingen in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat daarmee ten aanzien van de procedure in hoger beroep geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Hoewel op grond van voornoemde aanvullende informatie kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon in de procedure in hoger beroep is vertegenwoordigd door een advocaat, kan op grond van de enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon in de procedure in eerste aanleg contact met zijn advocaat heeft gehad, niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen of de opgeëiste persoon op zitting in hoger beroep te verdedigen.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
In het kader van de beoordeling van de vraag of het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, is het van belang of de opgeëiste persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat. Ook de handelswijze van de opgeëiste persoon kan door de rechtbank in aanmerking worden genomen. De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. [5]
Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon voor deze zaak is aangehouden en één jaar, twee maanden en tweeëntwintig dagen in voorarrest heeft gezeten. In de aanvullende informatie van 23 februari 2026 is expliciet vermeld dat de opgeëiste persoon na opheffing van zijn voorarrest niet meer op zitting hoefde te verschijnen en ook niet meer is verschenen. Vervolgens is door de toegewezen raadsman van de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld. De opgeëiste persoon heeft op enig moment een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de gevolgen van het niet naleven daarvan, en de oproepingen voor de procedure in hoger beroep zijn gestuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven. Uit het dossier of het verhandelde ter zitting blijkt echter niet wanneer de adresinstructie aan de opgeëiste persoon is verstrekt en hoe voor de opgeëiste persoon duidelijk moet zijn geweest dat de adresinstructie gold voor de gehele procedure, inclusief een eventuele procedure in hoger beroep, tot aan de executie van een eventuele straf. Bij de beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon kan worden tegengeworpen dat hij de oproepingen voor de zittingen niet heeft ontvangen acht de rechtbank het van belang te weten op welk moment de opgeëiste persoon de adresinstructie heeft gekregen en of hij erop is gewezen dat deze geldt voor de gehele procedure. Ambtshalve is de rechtbank namelijk bekend dat een adresinstructie vaak wordt gegeven tijdens het (eerste) verhoor in het vooronderzoek. Het arrest in deze zaak dateert van 15 oktober 2024. Hoewel informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontbreekt over wanneer het eerste verhoor heeft plaatsgevonden en of de opgeëiste persoon daarbij de adresinstructie heeft ontvangen, stelt de opgeëiste persoon dat hij in 2012 is verhoord en in voorarrest heeft gezeten. Nu de feiten dateren van 2004 tot en met januari 2012 zou die informatie kunnen kloppen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon op de hoogte was dat namens hem hoger beroep is ingesteld, dan wel dat hij hiervan op de hoogte had moeten zijn. Nu de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de adresinstructie vragen oproept, beschikt de rechtbank momenteel over onvoldoende informatie om te beoordelen of de opgeëiste persoon kan worden tegengeworpen dat hij de oproepingen voor de zittingen niet heeft ontvangen en dat hij geen contact met de advocaat heeft gehouden en daardoor niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Oftewel, de rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te beoordelen of de opgeëiste persoon op ondubbelzinnige wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn, dan wel om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.
De rechtbank ziet echter ruimte om hierover nadere vragen te stellen, omdat de beslistermijn nog niet is verstreken. De rechtbank zal de behandeling van de zaak daarom aanhouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:
Blijkens de aanvullende informatie van 10 maart 2026 heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie gekregen. Wanneer heeft de opgeëiste persoon deze adresinstructie ontvangen?
Is de opgeëiste persoon er op gewezen dat de adresinstructie gold voor de gehele procedure, inclusief een procedure in hoger beroep, tot aan de tenuitvoerlegging van een eventuele straf? Zo ja, hoe was dit voor de opgeëiste persoon kenbaar?
Heeft de opgeëiste persoon adreswijzigingen doorgeven?
Zijn er andere omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon wist van de procedure in hoger beroep?

5.Strafbaarheid

5.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
- deelneming aan een criminele organisatie;
- illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

7.Beslissing

De rechtbank:
HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd uur teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 4 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
BEPAALTdat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland
uiterlijk 7 dagen voor 25 april 2025, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn,
BEVEELTde oproeping van de
opgeëiste persoontegen een nader te bepalen datum en
tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn
raadsvrouw;
BEVEELTde oproeping van een
tolkin de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 O.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (