ECLI:NL:RBAMS:2026:3659

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
1332585425
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 13 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over detentieomstandigheden en overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor een opgeëiste persoon zonder vaste verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in Nederland. Na een zitting op 10 februari 2026 werd de termijn voor uitspraak met 30 dagen verlengd en werd gevangenneming bevolen.

In een tussenuitspraak van 24 februari 2026 werd het onderzoek heropend en geschorst om aanvullende vragen over de detentieomstandigheden in de Poolse gevangenis in Tarnów te stellen. Op 12 maart 2026 werd de behandeling voortgezet, waarbij de opgeëiste persoon afstand deed van zijn aanwezigheidsrecht.

De rechtbank ontving op 6 maart 2026 een brief van de Poolse autoriteiten met algemene informatie over rechten van gedetineerden, maar deze bood onvoldoende garanties dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De rechtbank concludeerde dat er een individueel gevaar bestaat voor schending van grondrechten door de detentieomstandigheden.

Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, met een redelijke termijn van 30 dagen. De beslistermijn en overleveringsdetentie worden met 60 dagen verlengd. De zaak wordt opnieuw ingepland na afloop van deze termijn om te beoordelen of de omstandigheden zijn gewijzigd.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over overlevering aan vanwege individueel gevaar voor schending van grondrechten door detentieomstandigheden en verlengt de beslistermijn en overleveringsdetentie met 60 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/325854-25
Datum uitspraak: 26 maart 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juni 2021 door
the Regional Court in Tarnów,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 10 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 februari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
Tussenuitspraak 24 februari 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de door de rechtbank geformuleerde vragen, die zien op de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 12 maart 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met toestemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en is wederom vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 24 februari 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de genoegzaamheid van het EAB, de strafbaarheid van het feit en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in het Poolse remand regime

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 7 van de tussenuitspraak van 24 februari 2026 over de omstandigheden in het
remand regimevan de gevangenis van Tarnov. De overwegingen in deze paragraaf moeten hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 24 februari 2026 zijn de vragen zoals genoemd in de tussenuitspraak uitgezet en is als reactie hierop een brief verstrekt van 6 maart 2026, afkomstig van de
Prokurator Prokuratury Okręgowej w Tarnowie.Daarin staat onder meer het volgende:
“(…) In accordance with the above regulations, a person in pre-trial detention has the right to a
daily walk of not less than 60 minutes and to activities in the common room in accordance with a schedule drawn up by the penitentiary ward educator. It is not possible to give a precise answer as to how much time a remand prisoner will spend outside their cell on average per day. They have the opportunity to sign up to participate in organized activities in the common room. For the sake of clarity, it should be noted that remand prisoners also have the right to participate in religious services organized especially for them.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon vast te stellen, geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren, omdat uit de aanvullende informatie van 6 maart 2026 blijkt dat de Poolse autoriteiten geen exacte opgave van de gemiddelde tijd buiten de cel per dag kunnen geven voor de opgeëiste persoon in de gevangenis in Tarnov.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om nogmaals vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit omdat er al meerdere keren om aanvullende informatie is verzocht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de aanvullende informatie van 6 maart 2026 in elk geval geen garantie bevat dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten de cel kan doorbrengen indien hij na overlevering in het
remand regimein de gevangenis in Tarnov geplaatst wordt. Op grond van de aanvullende informatie is onvoldoende duidelijk geworden aan welke activiteiten de opgeëiste persoon, naast het wandelen, op dagelijkse of structurele basis kan meedoen en vooral hoe lang en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon mee kan doen aan deze activiteiten, ervan uitgaande dat hij ervoor kiest om aan de activiteiten mee te doen. Uit de aanvullende informatie blijkt niet hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon gemiddeld, onder reguliere omstandigheden in de detentie-instelling toegang heeft tot activiteiten of open ruimtes.
De brief bevat slechts een algemeen overzicht van de rechten van gedetineerden in voorlopige hechtenis in Polen. De verstrekte informatie leidt daarom niet tot het oordeel dat het algemene reële gevaar, dat de opgeëiste persoon structureel 23 uur per dag in zijn cel (met persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2) moet doorbrengen, voor hem is uitgesloten.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten door de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Tarnów als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier nog niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet. De rechtbank weegt mee dat het Openbaar Ministerie niet expliciet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft meegedeeld dat het ontbreken van een afdoende detentiegarantie er mogelijk toe leidt dat de rechtbank de overlevering niet toestaat.
De rechtbank houdt daarom de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aan. De rechtbank stelt daarbij op grond van artikel 11, vierde lid, OLW een redelijke termijn vast van 30 dagen na deze uitspraak. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (die verstrijkt op 24 april 2026), namelijk 28 april 2026 of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
Gezien het voorgaande heeft de rechtbank een verlenging van de beslistermijn nodig om op het verzoek tot overlevering te beslissen. Daarom zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

5.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de redelijke termijn (die verstrijkt op 24 april 2026), namelijk in de periode van
28 april 2026 tot en met 7 mei 2026.
HOUDT AAN debeslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een ander te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.