Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3789

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
13/034343-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Roemenië ondanks proces in afwezigheid en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 april 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Roemenië voor de overlevering van een opgeëiste persoon die een vrijheidsstraf van ruim een jaar moet ondergaan. De opgeëiste persoon was niet persoonlijk aanwezig bij het hoger beroep in Roemenië, wat een weigeringsgrond kan vormen op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW).

De verdediging voerde aan dat de overlevering geweigerd moet worden omdat de opgeëiste persoon niet persoonlijk was verschenen en niet adequaat vertegenwoordigd was, en onduidelijk was of hij op de hoogte was gesteld van zijn recht op verzet. De officier van justitie verzocht echter om af te zien van de weigeringsgrond omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie had gekregen en op zijn verplichtingen was gewezen.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de opgeëiste persoon niet persoonlijk aanwezig was bij het hoger beroep, de uitvaardigende autoriteit een verzetgarantie had gegeven en dat de opgeëiste persoon adequaat was geïnformeerd over zijn rechten en plichten, waaronder het doorgeven van adreswijzigingen. De rechtbank achtte dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig was geweest in zijn bereikbaarheid, maar dat dit geen schending van zijn verdedigingsrechten opleverde.

Ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemenië stelde de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon naar verwachting in penitentiaire inrichtingen met een semi-open regime en een gegarandeerde minimale ruimte van 3 m2 zal worden geplaatst. De verstrekte garanties sloten het algemene reële gevaar van onmenselijke behandeling uit. De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en stond de overlevering toe.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Roemenië toe ondanks het ontbreken van persoonlijke aanwezigheid bij het hoger beroep en de detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/034343-26
Datum uitspraak: 15 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 10 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juli 2025 door de
Judecătoria (District Court of) Bacău, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een
criminal judgment no. 450 of 03.04.2025 handed down by Judecătoria (District Court of) Bacău in the file no. 20252/180/2024, final by the criminal decision no. 562/19.06.2025 of Bacău Court of Appeal.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar, vier maanden en 20 dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
Naar aanleiding van aanvullende vragen van het openbaar ministerie van 11 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 18 februari 2026 per brief de volgende informatie verstrekt:
"1. Section D from the European arrest warrant was filled in for the ruling from the first court and the convicted person appeared in person at the District Court of Bacau and confessed committing the offences showing that he understands to be tried only based on the evidence presented during the criminal investigation, which he knows and which he appropriates in its entirety. At the Court of Appeal, during the trial stage of the appeal, only the elected attorney of the convicted person appointed ex officio appeared.
2. Although through criminal ruling no. 562 from 19.06.2025, the Court of Appeal from Bacau permanently solved file no. 20252/180/2024, the criminal Romanian laws offer the convicted person the possibility to file an extraordinary appeal against the conviction ruling which may lead to the dissolution of the initial ruling.
3. We hereto attach the annex regarding item D of the EAW referring to the ruling made by the Court of Appeal from Bacau, during the trial of which the convicted person did not appear in person for the trial, being represented only by his ex officio attorney."
Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 25 februari 2026 opnieuw vragen gesteld. Hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 28 februari 2026 onder andere het volgende geantwoord:
“1) The first court criminal sentence no. 450 from 03.042025 ruled by the District Court of Bacau was appealed by the prosecutor of the Prosecutor’s Office (…):
2) At the Court of Appeal, [opgeëiste persoon] did not hire a personal attorney, but was represented by a public defender, appointed at the request of the court of law, in view of the observance of his right to defense (…)
3) during the appeal trial stage, the subpoena was not personally handed over to [opgeëiste persoon] as he was not found at home. The procedure for the communication of the subpoena was performed by displaying it on 21.05.2025, at the domicile address of the convicted person, the summoning procedure being legally complied. (…)
4.a). During the trial stage of appeal, [opgeëiste persoon] was subpoenaed at the domicile address with which he is registered at the Romanian People’s Register, respectively [adres], which is identical to the one declared by him on the occasion of the criminal pursuit which occurred on 16.09.2024;
b). On 16.09.2024, the judicial bodies brought to the knowledge of [opgeëiste persoon] that he had the obligation to report to the summons of the judicial bodies, to communicate any change of domicile as well as the consequences of the failure to comply with these obligations;
c) on 17.09.2024 the judicial bodies prepared a report in this respect, which was signed in person by [opgeëiste persoon] ; (…).”
Op 3 maart 2026 heeft het openbaar ministerie nogmaals vragen gesteld, waarop de uitvaardigende justitiële autoriteit op 10 maart 2026 het volgende heeft geantwoord:
“(…) At the first court hearing on 04.03.2025, [opgeëiste persoon] appeared before the court at the Bacau District Court, during which the indictment initiating the trial was read to him, he was informed of the charges brought against him, and he was notified of his rights as well as his obligations throughout the trial until its conclusion. These obligations include notifying in writing, within 3 days, of any change of residence/address, complying with the preventive measures imposed, and not obstructing the discovery of the truth. Failure to fulfill these obligations may result in the issuance of a summons or a preventive arrest warrant.”
Het openbaar ministerie heeft op 19 maart 2026 voor de vierde keer aanvullende vragen gesteld. Hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 24 maart 2026 het volgende geantwoord:
“We reiterate that both the criminal investigation authorities and the court informed [opgeëiste persoon] of his rights as well of his obligations throughout the proceedings, until the final conclusion of the case, namely until the judgment of conviction became finale through the decision of the Bacău Court of Appeal. Furthermore, being aware of the existence of the criminal proceedings initiated against him and having been present both before the criminal investigation authorities and before the court at the first hearing, he had the obligation to show diligence with regard to the progress of the criminal proceedings in which he was involved; therefore, he cannot rely on his own passivity in order to invoke procedural irregularities. The ultimate responsibility for the proceedings lies with the defendant, who has the obligation to attend all court hearings or to maintain contact with the court-appointed ex officio lawyer until the conclusion of the proceedings and the judgment becoming final, which occurred at the Bacau Court of Appeal; the consequence of failing to appear before the court being that the case was tried in absentia.”
4.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is en de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon is niet in persoon aanwezig geweest bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid en uit de aanvullende informatie blijkt niet dat een door hem gekozen advocaat is verschenen en hem daadwerkelijk in het proces heeft vertegenwoordigd. Daarnaast is onduidelijk wanneer de uitspraak in hoger beroep aan de opgeëiste persoon is betekend en of hij is gewezen op het recht om verzet in te stellen tegen de beslissing.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is, maar verzoekt de rechtbank af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Aan de opgeëiste persoon is immers een adresinstructie is gegeven, die gold voor de gehele procedure. De opgeëiste persoon heeft zijn adres doorgegeven aan de Roemeense autoriteiten en is gewezen op zijn verplichtingen, als ook de gevolgen van het niet doorgeven van adreswijzigingen. Hiermee is voldaan aan de vereisten voor een geldige adresinstructie. De dagvaarding is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Artikel 12 OLW Pro staat daarom niet aan de overlevering in de weg.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
Op grond van het EAB en de aanvullende informatie van 18 februari 2026 stelt de rechtbank vast dat het arrest van
the Bacău Court of Appealvan 19 juni 2025 met kenmerk 562/19.06.2025 dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Bij de brief van 18 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een ingevuld
D-formulier gevoegd, waarin het volgende is vermeld:
"the person has not been personally served with the decision, but: the decision will be served personally without delay after delivery; and at the time the decision is served, the person will be expressly informed of the right to a retrial or an appeal, at which he or she has the right to be present and which allows the facts of the case, including new evidence, to be re-examined and which may lead to the original decision being set aside; and the person will be informed of the time limit within which he or she must request a retrial or an appeal, which is one month.
(…) At the time of incarceration in the detention center, the convicted person is again notified of the conviction. The convicted person has the possibility of filing an extraordinary appeal against the conviction which may lead to the annulment of the initial decision."
De rechtbank stelt op basis van de voornoemde aanvullende informatie van 18 februari 2026 vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de opgeëiste persoon een verzetgarantie heeft gegeven.
De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat dergelijke garanties in Roemenië niet onvoorwaardelijk zijn. In het bijzonder is van belang dat een verzoek tot verzet alleen wordt toegewezen als de rechtbank in Roemenië van oordeel is dat de opgeëiste persoon bij verstek is veroordeeld (‘
tried in absentia’). Uit het tweede lid van artikel 466 van Pro het Roemeense Wetboek van Strafvordering (Roemeense Sv) volgt dat van een veroordeling bij verstek slechts sprake is als – kort gezegd – de verdachte niet is gedagvaard en niet op een formele wijze van de terechtzitting op de hoogte is gebracht.
De rechtbank stelt op basis van de aanvullende informatie van 28 februari 2026 vast dat de opgeëiste persoon op 21 mei 2025 is gedagvaard op het door hem opgegeven adres. Op basis van deze informatie kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat sprake is van een veroordeling bij verstek als bedoeld in het Roemeense Sv. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verzetgarantie voor de opgeëiste persoon daarom niet als onvoorwaardelijk worden aangemerkt.
Gelet op het voorgaande doet zich de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW evenmin voor en kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 28 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 16 september 2024 een adres heeft opgegeven voor het ontvangen van officiële correspondentie, waarbij hij is geïnformeerd over zijn verplichting om een adreswijziging door te geven aan de Roemeense autoriteiten en de consequenties van het niet naleven van deze verplichting. Hiervan is een verslag opgemaakt, dat de opgeëiste persoon op 17 september 2024 heeft ondertekend. Uit de aanvullende informatie van 10 maart 2026 blijkt voorts dat de opgeëiste persoon op de zitting in eerste aanleg, waar hij aanwezig was, opnieuw op zijn verplichtingen is gewezen, waaronder de verplichting om adreswijzingen door te geven. Blijkens de aanvullende informatie van
24 maart 2026 gold deze verplichting gedurende de gehele procedure, tot aan het arrest. Verder blijkt uit de aanvullende informatie van 28 februari 2026 dat de oproep voor de zitting in hoger beroep op 21 mei 2025 naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres is verstuurd.
Voornoemde omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Artikel 12 OLW Pro staat daarom niet aan de overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

5.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
telkens: diefstal.

6.Artikel 11 OLW Pro: Roemeense detentieomstandigheden

6.1
Inleiding
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking. [5]
Bij brief van 25 februari 2026 heeft de
Deputy General Director of the National Administration of Penitentiariesin Roemenië onder andere de volgende informatie verstrekt:
"If the person deprived of freedom is surrendered to the Romanian autorities (...) he will be initially taken to Rahova Penitentiary from Bucharest for the quarantine and observation period a period of 21 days. (...)
Considering the amount of the penalty, most likely he will serve the freedom deprivation penalty in semi-open regime initially. At the same time, considering his domicile, for the beginning, he will most likely serve the sentence at the Penitentiary from Vaslui. (...) In the semi-open regime, the doors of the rooms are open all throughout the day. (...)
[opgeëiste persoon] will benefit from a minimum individual space of 3 sqm, throughout the serving of the sentence,. (...)
The National Administration of Penitentiaries guarantees that, throughout the entire serving of the sentence, without including the bed and the area for the sanitary group, he will benefit from a minimum individual space, as follows:
-3 sqm during the quarantine and observation period;
-3 sqm in case of serving of the sentence in semi-open regime;."
6.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie die ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt het algemene reële gevaar niet wegneemt. Er wordt niet voldaan aan het wettelijke minimumvereiste van 3 m2 persoonlijke ruimte tijdens de quarantaineperiode in de
Bucharest-Rahova Penitentiary.De overlevering moet worden geweigerd.
6.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegeven individuele detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een recente uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtbank de overlevering heeft toegestaan aan Roemenië op basis van een garantie voor de
Bucharest Rehova Penitentiary. [6] Artikel 11 OLW Pro staat dus niet aan de overlevering in de weg.
6.4
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [7]
De rechtbank overweegt dat zij, gelet op het arrest ML van het Hof van Justitie van de Europese Unie, uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken van penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. [8] Uit de aanvullende informatie van 25 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste instantie in de
Bucharest-Rahova Penitentiaryzal worden geplaatst, en daarna naar alle waarschijnlijkheid in het
semi-open regimein de
Penitentiary of Vaslui.
De rechtbank is, gelet op de op 25 februari 2026 afgegeven garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Zowel in de quarantaineperiode van 21 dagen in de
Bucharest-Rahova Penitentiary, als in het
semi-open regimein de
Penitentiary of Vaslui, wordt immers een persoonlijke ruimte van tenminste 3 m2 in een meerpersoonscel gegarandeerd. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt met de garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. De detentieomstandigheden vormen daarom geen beletsel voor de overlevering. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Judecătoria (District Court of) Bacău, Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Zie onder andere: Rb. Amsterdam 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en Rb. Amsterdam 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
6.Rechtbank Amsterdam 17 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1707.
7.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87.