Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3797

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
13/329750-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering opgeëiste persoon aan Frankrijk toegestaan ondanks bezwaren detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Frankrijk voor de overlevering van een opgeëiste persoon geboren in Rotterdam in 1984. De procedure omvatte meerdere zittingen en tussenuitspraak, waarbij de rechtbank vragen stelde over de detentieomstandigheden in de Franse gevangenis Fleury-Mérogis.

De verdediging voerde aan dat de garanties over persoonlijke ruimte en detentieomstandigheden onvoldoende waren, met name vanwege mogelijke langdurige isolatie en overbevolking, wat zou kunnen leiden tot schending van het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de EU. De officier van justitie stelde dat de verstrekte aanvullende informatie voldoende garanties bood dat de opgeëiste persoon over voldoende persoonlijke ruimte zou beschikken.

De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon na overlevering een observatieperiode van 4 tot 12 dagen in een eenpersoonscel van 9 tot 10 m2 zal doorbrengen en dat bij voorlopige hechtenis de onderzoeksrechter plaatsing in een dergelijke cel zal bevelen. De mededeling dat geen exacte garanties over vierkante meters gegeven konden worden, was niet relevant. De rechtbank oordeelde dat het algemene gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling was weggenomen en dat artikel 11 OLW Pro de overlevering niet in de weg stond.

De rechtbank weigerde de overlevering voor zover het EAB betrekking had op handel in en distributie van 3-MMC, maar stond de overlevering toe voor de overige feiten. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering toe behalve voor de handel in 3-MMC, waarvoor zij weigert overlevering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/329750-25
Datum uitspraak: 15 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 31 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2025 door de
Procureur de la République at the Tribunal Judiciaire of Paris, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in Rotterdam op [geboortedag] 1984,
feitelijk verblijfadres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 17 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 17 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadslieden, mr. A. Mao, advocaat in Schiedam, en
mr. J.S. Spijkerman, advocaat in Den Haag.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 3 maart 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vragen ten behoeve van de toetsing aan artikel 11 OLW Pro voor te leggen.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW opnieuw met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 1 april 2026
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadslieden, mr. J.S. Spijkerman en mr. Vanhoutte, beiden advocaat in Den Haag.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist
zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 3 maart 2026

In de tussenuitspraak van 3 maart 2026 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over onder meer de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van het feit (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW Pro (onder 6) en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro (onder 7).
Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 8 van de tussenuitspraak van 3 maart 2026. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Het openbaar ministerie heeft op 10 maart 2026 aanvullende vragen gesteld, zoals geformuleerd in voormelde tussenuitspraak. Op 19 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop de volgende antwoorden gegeven:
"1. (...) Bij aankomst in de gevangenis wordt de nieuwe gedetineerde voor een periode van 4 tot 12 dagen in een cel in de afdeling voor nieuwkomers geplaatst, teneinde zijn of haar gedrag nauwlettend te kunnen observeren. (...) Na afloop wordt een plaatsingsbeslissing genomen met betrekking tot een detentieafdeling van een van de verblijfsgebouwen, in overeenstemming met de uitgevoerde beoordeling. Indien bij de opname van de gedetineerde wordt besloten tot plaatsing in de isolatieafdeling, wordt dit proces direct op deze afdeling toegepast.
2. (...) [de opgeëiste persoon] zou alleen dan langer in de aankomstafdeling moeten blijven, na afloop van de observatieperiode van maximaal 12 dagen, indien besloten is hem in de isolatieafdeling te plaatsen. Hij zou dan beschikken over een eenpersoonscel met een vloeroppervlak van 9 tot 10 m2.
3. (...) Indien er geen besluit tot plaatsing in isolatie wordt genomen, wordt [de opgeëiste persoon] , na afloop van de observatieperiode in de aankomstafdeling, ondergebracht in een cel in een van de verblijfsgebouwen van de mannengevangenis, die naast de aankomstafdeling beschikt over:-2026 cellen met een oppervlakte van 9 tot 10 m2 en een theoretische capaciteit van 1 plaats,-60 cellen met een oppervlakte van 14 tot 19 m2 en een theoretische capaciteit van 3 plaatsen,-32 cellen die zijn ingericht voor personen met beperkte mobiliteit, waarvan 1 cel met een oppervlakte van 11 tot 12 m2 en een capaciteit van 1 plaats, en 31 cellen met een oppervlakte van 14 tot 19 m2 en een capaciteit van 1 plaats.
4. (...) Zoals aangegeven in de brief van 4 februari 2026 is het, vanwege het verschil in de berekeningsmethode voor de oppervlakte van de cellen en de beschikbare persoonlijke ruimte per gedetineerde tussen de Franse regelgeving en de normen die voortvloeien uit Europese jurisprudentie, voor de Franse autoriteiten niet mogelijk om de gevraagde garanties te geven met betrekking tot de minimale oppervlakte waarover de gedetineerde zal beschikken bij zijn overlevering aan de Franse gerechtelijke autoriteiten, aangezien de bezettingsgraad van de penitentiaire inrichtingen, zoals gedefinieerd volgens de normen van de Franse regelgeving, per definitie variabel is en afhankelijk is van de datum van overlevering van de gezochte persoon, die op dit moment nog onbekend is, en de nationale normen die voortvloeien uit de circulaire van 16 maart 1988 en die worden gebruikt voor het opmeten van cellen in Franse gevangenissen, maken het niet mogelijk om onderscheid te maken tussen de persoonlijke ruimte en de sanitaire ruimte."
Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 25 maart 2026 opnieuw vragen gesteld, waarop de uitvaardigende justitiële autoriteit in een brief van 30 maart 2026 [4] onder andere het volgende geantwoord heeft:
“(...) Wij willen u er (…)echter op wijzen dat, indien de heer [de opgeëiste persoon] door de [rechter voor vrijheden en detentie] 'juge des libertés et de la détention' in voorlopige hechtenis zou worden geplaatst, zijn plaatsing in afzondering zal worden bevolen door de onderzoeksrechter (en gemotiveerd zal worden als zijnde een beschermende maatregel).
De duur van deze afzondering mag de duur niet overschrijden van de maatregel aangaande de detentieperiode en deze moet bij elke eventuele verlenging van de detentie uitdrukkelijk opnieuw worden verlengd. De gedetineerde persoon kan op elk moment de onderzoeksrechter verzoeken om opheffing van deze maatregel. Het bevel tot plaatsing in gerechtelijke afzondering, tot verlenging van deze maatregel of tot weigering om deze te beëindigen, wordt aan de betrokken persoon betekend, die het recht heeft om hiertegen in beroep te gaan.
Wat de detentieregeling betreft, verblijft elke gedetineerde persoon die in afzondering is geplaatst alleen in een cel. Zoals aangegeven in mijn schrijven dd 19 maart 2026, wordt in de gevangenis te Fleury-Mérogis, indien werd besloten tot plaatsing in afzondering, de procedure tot eenzame opsluiting toegepast op de afdeling voor nieuwkomers (d.w.z. in een cel met een vloeroppervlak van 9 tot 10 m²).
Elke gedetineerde persoon die in afzondering verblijft, behoudt zijn/haar recht op informatie, bezoek, schriftelijke en telefonische correspondentie, het uitoefenen van zijn/haar geloof en het ontvangen van bankoverschrijvingen. De persoon mag niet deelnemen aan het 'luchten' en groepsactiviteiten waarop gedetineerden in de gewone detentieregeling recht hebben, tenzij de directeur van de penitentiaire inrichting toestemming heeft gegeven voor een specifieke activiteit. De directeur van de penitentiaire inrichting organiseert echter, voor zover mogelijk en afhankelijk van de persoonlijkheid van de gedetineerde persoon, gezamenlijke activiteiten voor de gedetineerden die in afzondering verblijven. De gedetineerde persoon die in afzondering verblijft, heeft bovendien de mogelijkheid om dagelijks ten minste een uur in de buitenlucht te zijn.
De gedetineerde persoon die in afzondering verblijft, wordt ten minste twee keer per week onderzocht door de arts van de medische afdeling van de inrichting."
4.2
Standpunt van de verdediging
Primair hebben de raadslieden zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte informatie het vastgestelde algemene gevaar niet wegneemt voor de opgeëiste persoon, omdat de gegeven garanties niet voldoende zijn. In de aanvullende informatie van 30 maart 2026 geven de Franse autoriteiten meerdere keren aan dat er geen garanties kunnen worden gegeven ten aanzien van de persoonlijke ruimte, waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken. Daarbij staat in de aanvullende informatie vermeld:
“wij willen u erop wijzen dat, indien de heer (…) in voorlopige hechtenis zou worden geplaatst, zijn plaatsing in afzondering zal worden bevolen door de onderzoeksrechter”. Hieruit kan worden afgeleid dat over de plaatsing van de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis, waarvan de toegang tot een persoonlijke ruimte van 9 tot 10 m2 afhangt, nog geen zekerheid bestaat. De aanvullende informatie bevat dan ook geen garantie ten aanzien van de persoonlijke ruimte waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat, als de voorlopige hechtenis wel wordt bevolen en de opgeëiste persoon in isolatie zal worden geplaatst, dit het geval gaat zijn voor zeer lange tijd, hetgeen in strijd is met artikel 5 van Pro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon, na een korte periode in voorlopige hechtenis, alsnog wordt gedetineerd in het reguliere detentieregime, waarin sprake is van overbevolking. Hierbij dreigt een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en artikel 3 EVRM Pro. De overlevering moet worden geweigerd en het openbaar ministerie moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om aanhouding om aanvullende vragen te stellen aan de Franse autoriteiten.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in de detentie-instelling
Fleury-Mérogisniet aan overlevering in de weg staan. De door de Franse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie neemt het gevaar voor de opgeëiste persoon weg. Uit de aanvullende informatie van 30 maart 2026 volgt dat in het geval de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon wordt bevolen, de plaatsing in de eenpersoonscel van 9 tot 10 m2
“zal worden bevolen door de onderzoeksrechter”. Daarover bestaat dus geen onzekerheid. De opgeëiste persoon zal beschikken over voldoende persoonlijke ruimte in het geval hij in voorlopige hechtenis wordt geplaatst. Artikel 11 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg.
4.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de aanvullende informatie van 19 en 30 maart 2026, die ziet op de plaatsing van de opgeëiste persoon in de penitentiaire inrichting
Fleury-Mérogis,vast dat de opgeëiste persoon na overlevering voor een observatieperiode van vier tot twaalf dagen in een cel in de afdeling voor nieuwkomers zal worden geplaatst in een eenpersoonscel met een vloeroppervlakte van 9 tot 10 m2. Na afloop van die observatieperiode wordt een plaatsingsbeslissing genomen. De rechtbank stelt op grond van de aanvullende informatie van 30 maart 2026 voorts vast dat, in het geval de rechter in Frankrijk na de overlevering besluit de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis te plaatsen,
zijn plaatsing in afzonderingzal worden bevolendoor de onderzoeksrechter(onderstreping door de rechtbank). De rechtbank is op grond van deze aanvullende informatie van oordeel dat er geen onzekerheid bestaat over de vraag in welk detentieregime de opgeëiste persoon zal worden geplaatst en over de vraag hoeveel persoonlijke ruimte de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken in de detentie-instelling
Fleury-Mérogis. Uit de voornoemde aanvullende informatie volgt immers dat er maar twee mogelijkheden bestaan: ofwel de opgeëiste persoon wordt niet in voorlopige hechtenis geplaatst en mag zijn proces in vrijheid afwachten, ofwel de onderzoeksrechter bepaalt dat de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis wordt geplaatst, waarbij deze rechter zal bevelen dat hij in een eenpersoonscel met een oppervlakte van 9 tot 10 m2 wordt geplaatst. In dat laatste geval zal de opgeëiste persoon over voldoende persoonlijke ruimte beschikken. De mededeling van de Franse autoriteiten dat geen concrete garanties kunnen worden gegeven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken, is gelet op het vorenstaande dan ook niet meer van belang.
De rechtbank is van oordeel dat met de gegeven garanties het aangenomen algemene gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Franse huizen van bewaring voor mannen ten aanzien van de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

5.Slotsom

De rechtbank weigert de overlevering voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon voor de handel in en distributie van 10 vaten 3-MMC met een bruto gewicht van 134 kg, die op 21 januari 2022 in beslag zijn genomen in Barcelona, op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, sub 4, OLW, zoals reeds overwogen in voornoemde tussenuitspraak van 3 maart 2026.
Ten aanzien van het overige stelt de rechtbank vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, dat verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en dat geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering het overige toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7, 9, en 13 OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]voor zover het EAB betrekking heeft de vervolging van de opgeëiste persoon voor de handel in en distributie van 10 vaten
3-MMC met een bruto gewicht van 134 kg, die op 21 januari 2022 in beslag zijn genomen in Barcelona, de overlevering op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, sub 4, OLW.
STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Procureur de la République at the Tribunal Judiciaire of Paris, Frankrijk, voor de overige in het EAB onder e) omschreven feiten.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.De rechtbank stelt vast dat de vermelde datum in de vertaalde versie van de brief, 31 maart 2026, een kennelijke verschrijving is. In dit kader verwijst de rechtbank naar de originele versie van de brief, waarin als datum 30 maart 2026 wordt vermeld.