Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3903

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
13/130352-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 310 SrArt. 326 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 6a Overleveringswet met gelijktijdige strafovername

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon, geboren in 1993, zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De procedure startte op 2 oktober 2025 en kende meerdere zittingen en tussenuitspraken, waarbij de rechtbank de beslistermijn meerdere malen verlengde en het onderzoek schorste in afwachting van relevante Europese jurisprudentie en aanvullende documenten.

In tussenuitspraken van 16 oktober en 16 december 2025 oordeelde de rechtbank reeds over de grondslag van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de toepasselijkheid van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De kern van de zaak betrof de toepassing van artikel 6a OLW, dat overlevering kan weigeren indien Nederland de straf kan overnemen.

Naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 en de ontvangst van het vereiste certificaat en het veroordelende vonnis van de Poolse autoriteiten op 31 december 2025, concludeerde de rechtbank dat aan de voorwaarden voor strafovername was voldaan. Daarom werd de overlevering geweigerd en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevolen, met verlenging van de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging.

De rechtbank zag geen reden af te wijken van deze weigeringsgrond en wees het verzoek tot overlevering af. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt gelijktijdige tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/130352-23
Datum uitspraak: 12 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 28 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 maart 2023 door
the District Court in Koszalin II Criminal Department,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 2 oktober 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 2 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.M. van Spanjen, advocaat in ’s-Hertogenbosch, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 16 oktober 2025
Bij tussenuitspraak van 16 oktober 2025 [3] heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en geschorst in verband met een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 september 2025, in de zaak
CJ [4] (hierna: de zaak
CJ) dat van belang is voor de toepassing van artikel 6a OLW.
De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de beslistermijn verlengd met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 9 december 2025
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 9 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.M. van Spanjen, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak 16 december 2025
Bij tussenuitspraak van 16 december 2025 [5] heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een ingevuld certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen.
De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de beslistermijn verlengd met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 29 januari 2026
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 29 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.M. van Spanjen, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraken van 16 oktober 2025 en 16 december 2025

In deze tussenuitspraken heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro, en de strafbaarheid van de feiten. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder paragraaf 4 van de tussenuitspraak van 16 december 2025. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Standpunten van de raadsman en de officier van justitie
Volgens de raadsman en de officier van justitie kan de overlevering op grond van artikel 6a
OLW worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straf, omdat het vereiste certificaat en het onderliggende vonnis inmiddels zijn ontvangen.
Oordeel van de rechtbank
In overeenstemming met het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 in de zaak
CJheeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 31 december 2025 het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het veroordelende vonnis toegezonden. Dit betekent dat de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straf.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 225, 310 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court in Koszalin II Criminal Department,Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in paragraaf 3 van de tussenuitspraak van
16 oktober 2025 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon].
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (