Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3911

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
13/150796-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank voor de overlevering van een verdachte die een resterende gevangenisstraf van ruim een jaar moet uitzitten. De verdachte betwistte dat hij een advocaat had gemachtigd voor hoger beroep, maar de rechtbank oordeelde dat de informatie van de uitvaardigende autoriteit betrouwbaar is en het artikel 12-verweer daarom niet opgaat.

De rechtbank onderzocht ook de detentieomstandigheden in de Poolse gevangenis Barczewo, waar de verdachte zou worden vastgehouden. Ondanks eerdere zorgen en verzoeken om nader onderzoek, concludeerde de rechtbank dat er geen actueel, objectief bewijs is dat er sprake is van een concreet gevaar voor schending van fundamentele rechten, zodat de overlevering niet wordt geweigerd op grond van artikel 11 OLW Pro.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering wordt daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/150796-25
Datum uitspraak: 19 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2025 door de
Sąd Okręgowy W Koninie (Regional Court in Konin), Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 14 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is (conform een door hem getekende afstandsverklaring) niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsman in de gelegenheid te stellen de zaak met de opgeëiste persoon te bespreken, aangezien de vorige raadsman de verdediging had neergelegd en mr. De Goede de verdediging pas een dag voor de zitting had overgenomen.
Zitting 12 februari 2026
De behandeling is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 OLW Pro.
Zitting 19 februari 2026
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court in Koninvan 28 oktober 2021 (met referentie: II K 38/13). Op 18 februari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) een Nederlandse vertaling verstrekt van de aanvullende informatie (ongedateerd) van de uitvaardigende autoriteiten in reactie op de vragen die zijn gesteld. Uit die aanvullende informatie blijkt dat op 15 oktober 2024 een arrest is gewezen door het gerechtshof (
Sąd Apelacyjny)te Poznań (met referentie: II Aka 88/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, één maand en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat, hoewel de aanvullende informatie vermeldt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en hem in hoger beroep te verdedigen, de opgeëiste persoon dit betwist.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van de situatie zoals omschreven in artikel 12, sub b, OLW nu uit de aanvullende informatie met betrekking tot de procedure in hoger beroep volgt dat er een gemachtigde advocaat voor de opgeëiste persoon is opgetreden.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank zal daarom het arrest van 15 oktober 2024 van het gerechtshof (
Sąd Apelacyjny) te Poznań (met referentie: II Aka 88/21) toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren gedurende dat proces en dat die advocaat ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De enkele betwisting door de opgeëiste persoon vormt dan ook geen reden om te twijfelen aan de verstrekte informatie.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Artikel 11 OLW Pro

6.1.
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
6.2.
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om actuele informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten over de voortgang en bevindingen van het door het naar aanleiding van het NMPT-rapport [7] van 2022 ingestelde expertteam uitgevoerde onderzoek naar de detentieomstandigheden in Barczewo. Weliswaar heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat geen sprake was van een algemeen reëel gevaar voor de gevangenis in Barczewo, maar dat laat onverlet dat de omstandigheden aldaar zeer zorgelijk waren. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek door het expertteam zou mogelijk een algemeen gevaar van schending van grondrechten moeten worden aangenomen.
Stanpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zolang de verdediging geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft verstrekt die duiden op een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in Polen, er – mede gelet op het vertrouwensbeginsel – geen aanleiding is om vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder, in een andere zaak, [8] vragen gesteld over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo. De rechtbank heeft in die zaak op 14 februari 2025 uitspraak gedaan, [9] waarin zij heeft geoordeeld dat er geen algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in die gevangenis worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, nu niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens is onderbouwd dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de detentieomstandigheden voor personen die een gevangenisstraf in in Barczewo (of elders in Polen) moeten uitzitten.. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy W Koninie (Regional Court in Konin), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
8.Rb. Amsterdam 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:326.
9.Rb. Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909.