Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3917

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
13/252442-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting dagvaarding en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit voor de overlevering van een verdachte die een vrijheidsstraf van twee jaar en drie maanden moet uitzitten. De verdachte betwistte dat hij in persoon was gedagvaard en stelde vragen over de rechterlijke onafhankelijkheid en detentieomstandigheden in Polen.

De rechtbank stelde vast dat de procedure in Polen in twee instanties had plaatsgevonden en dat het arrest van 2 juni 2023 relevant was voor de toetsing aan artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW). Hoewel de verdachte betwistte dat hij in persoon was gedagvaard, achtte de rechtbank de aanvullende informatie van de uitvaardigende autoriteit betrouwbaar en verwierp het verweer op grond van artikel 12 OLW Pro.

Ten aanzien van artikel 11 OLW Pro, dat betrekking heeft op het recht op een eerlijk proces en detentieomstandigheden, concludeerde de rechtbank dat er geen concreet individueel gevaar bestond dat de verdachte in Polen niet eerlijk zou worden berecht of onmenselijk zou worden behandeld. De rechtbank verwierp het verweer en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks betwisting dagvaarding en zorgen over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/252442-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 augustus 2025 door
the Warsaw Regional Court, VIII Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
nu gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad, Westzaan,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 25 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 25 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden om de officier van justitie de gelegenheid te geven aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen in het kader van de toetsing aan artikel 12 OLW Pro.
Zitting 12 maart 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römeren door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgment by the District Court for the Capital City of Warsaw in Warsawvan 4 oktober 2022, met kenmerk V K 1246/22. Uit de aanvullende informatie van 24 februari 2026 blijkt dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld en dat op 2 juni 2023 een arrest is gewezen door
the Regional Court in Warsaw,met kenmerk X Ka 358/23.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, één maand en dertien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat, hoewel de aanvullende informatie van 27 februari 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, de opgeëiste persoon dit betwist. De opgeëiste persoon verbleef op dat moment al in Nederland. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het niet duidelijk is of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep en of de advocaat die hoger beroep heeft ingesteld door de opgeëiste persoon was gemachtigd. De raadsman heeft verzocht om de zaak nogmaals aan te houden om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van de juistheid van de aanvullende informatie van 27 februari 2026 moet worden uitgegaan en dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon blijkbaar op 24 april 2023 in persoon is gedagvaard.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank stelt vast dat dit hier het geval is en dat de procedure die heeft geleid tot het arrest van
the Regional Court in Warsawvan 2 juni 2023 (kenmerk: X Ka 358/23) aan artikel 12 OLW Pro getoetst dient te worden.
Onderdeel d), dat is toegevoegd als bijlage bij de aanvullende informatie van 27 februari 2026, vermeldt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de procedure in hoger beroep. Daarnaast is aangekruist dat de opgeëiste persoon op 24 april 2023 in persoon is gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de datum en de plaats van het proces en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De enkele betwisting hiervan door de opgeëiste persoon is voor de rechtbank geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. De rechtbank verwerpt het verweer. Ook ziet de rechtbank geen reden de behandeling nogmaals aan te houden om hierover vragen te stellen.

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: “het Handvest”) en detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
Ten aanzien van de rechterlijke onafhankelijkheid heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een gerichte toetsing in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest niet mogelijk is, nu geen reactie is ontvangen op de door hem vorige maand per e-mail gestelde vragen over de rechterlijke samenstelling en benoemingsprocedure van de rechters die het vonnis of arrest gewezen hebben. Ter onderbouwing heeft hij verwezen naar een recent arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2025. [5]
Ten aanzien van de detentieomstandigheden heeft de raadsman aangevoerd dat onbekend is in welke penitentiaire inrichting de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en dat er geen garantie of informatie is verstrekt over de minimale persoonlijke leefruimte, celbezetting, sanitaire voorzieningen of medische zorg.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW Pro niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. [7] Het is aan de opgeëiste persoon die elementen aan te voeren, niet aan het openbaar ministerie om aan te voeren dat er geen sprake is van die elementen. Het lag dan ook niet op de weg van het openbaar ministerie de gestelde vragen te (laten) beantwoorden.
De rechtbank overweegt voorts dat zij in eerdere uitspraken steeds tot het oordeel is gekomen dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat er wel een algemeen reëel gevaar bestaat voor het tenuitvoerleggings-regime in Polen. Dit is slechts anders voor het voorlopige hechtenis regime in Polen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.
Artikel 11 OW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Warsaw Regional Court, VIII Penal Division, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 maart 2026.
.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 18 december 2025, C-448/23, ECLI:EU:C:2025:975.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (